Organisaties zonder winstreven Richtlijn 640

Domein:

640 ORGANISATIES-ZONDER-WINSTSTREVEN #

Deze Richtlijn 640 (aangepast 2016) vervangt Richtlijn 640 (aangepast 2015) en is van kracht voor verslagjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017.

640.1 Algemene uiteenzetting #

Inleiding en toepassingsgebied

101 Dit hoofdstuk is van toepassing op de organisatie-zonder-winststreven (hierna organisatie). De organisatie heeft niet als primaire doelstelling het behalen van winst, maar is primair gericht op een kerkelijke, levensbeschouwelijke, maatschappelijke, charitatieve, culturele of wetenschappelijke doelstelling, of streeft anderszins een maatschappelijk doel of algemeen nut na. In het kader van deze doelstelling kan zij zich (tevens) bezighouden met het leveren van producten en/of diensten.

102 Voor de organisatie is Titel 9 Boek 2 BW formeel niet van toepassing. Aangezien de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving een nadere invulling geven van het in Titel 9 Boek 2 BW vereiste inzicht, is dit hoofdstuk formeel niet (direct of indirect) van toepassing op de organisatie. Echter ook voor de organisatie is het in het algemeen van belang een goed inzicht in de activiteiten en de uitkomsten daarvan te geven aan gebruikers van haar jaarrekening. Teneinde bovengenoemd inzicht te verschaffen verdient het voor de organisatie sterke aanbeveling de bepalingen van dit hoofdstuk toe te passen. Indien de organisatie dit hoofdstuk toepast, dienen de andere stellige uitspraken van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving ook te worden toegepast. Deze bepalingen vormen immers algemeen aanvaarde grondslagen voor de verslaggeving. Uiteraard zal de uitgebreidheid van haar verslaggeving mede afhangen van het specifieke karakter en haar omvang en complexiteit. Ook de informatiebehoeften van de groep van gebruikers en hun positie in relatie tot de organisatie zijn hierbij van belang. De afweging tussen kosten en baten (relevantie voor de gebruikers) speelt daarbij een belangrijke rol.

103 Soms valt de organisatie op grond van haar rechtsvorm of de aard van haar activiteiten geheel of gedeeltelijk onder Titel 9 Boek 2 BW. Voor deze organisatie zijn de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving van toepassing. Het verdient sterke aanbeveling dat deze organisatie de voorschriften van dit hoofdstuk, voor zover van toepassing, ook toepast.

104 Voor de jaarverslaggeving van de organisatie kunnen specifieke wet- of regelgeving en subsidievoorschriften gelden. De specifieke wet- en regelgeving en de subsidievoorschriften dienen voor te gaan op de stellige uitspraken in dit hoofdstuk en/of de andere hoofdstukken van deze bundel. Indien de jaarrekening vanwege specifieke wet2 en regelgeving en subsidievoorschriften niet geheel voldoet aan de voorschriften van dit hoofdstuk, dient de organisatie door middel van aanvullende informatie in de toelichting ook de informatie te verstrekken die dit hoofdstuk vereist.

105 Soms kwalificeert de organisatie ook als fondsenwervende organisatie. De fondsenwervende organisatie past de bepalingen van hoofdstuk 650 Fondsenwervende organisaties toe. In aanvulling op hoofdstuk 650 Fondsenwervende organisaties is op de fondsenwervende organisatie ook hoofdstuk 640 Organisaties-zonder-winststreven van toepassing, tenzij hoofdstuk 650 daarvan afwijkend is.

106 Het verdient sterke aanbeveling dat de organisatie in de toelichting op de jaarrekening vermeldt dat de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving zijn gevolgd. Een dergelijke vermelding dient slechts te worden opgenomen als de stellige uitspraken van de Richtlijnen integraal zijn toegepast.

Definities

107 In dit hoofdstuk worden de volgende begrippen gebruikt. De betekenis van deze begrippen is omschreven in hoofdstuk 940 Begrippen:

  • baten uit sponsoring;
  • bestemmingsreserve;
  • bestemmingsfonds;
  • bestuurder of gewezen bestuurder;
  • exploitatiesubsidies;
  • fondsenwervende instelling; en
  • toezichthouder (commissaris)

Wettelijke bepalingen

108 Dit hoofdstuk is mede gebaseerd op de volgende wettelijke bepalingen. Deze bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 900 Wetteksten:

  • artikel 2:10 BW;
  • artikel 2:48 BW.

640.2 Verwerking en waardering #

201 De organisatie dient alle baten en lasten in de staat van baten en lasten te
verantwoorden, met uitzondering van de in paragraaf 4 van hoofdstuk 240 Eigen vermogen
vermelde rechtstreekse mutaties in het eigen vermogen. Uitgaven die worden gedekt uit
bestemmingsreserves en bestemmingsfondsen dienen ook in de staat van baten en lasten te
worden verantwoord.

Subsidieverplichtingen en verplichtingen tot het doen van giften

202 Soms realiseert de organisatie haar doelstellingen mede door het verstrekken van subsidies en giften. Van een subsidieverplichting respectievelijk een verplichting tot het doen van een gift is veelal pas sprake nadat het daartoe bevoegde orgaan een besluit ter zake heeft genomen en dit schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan de ontvanger van de subsidie of gift, zodanig dat een in rechte afdwingbare verplichting of feitelijke verplichting ontstaat. De organisatie dient subsidieverplichtingen en verplichtingen tot het doen van een gift in de balans als schuld en in de staat van baten en lasten als last te verantwoorden, ook als de verplichting is aangegaan voor meer dan een jaar. Als zij bijvoorbeeld een subsidietoezegging doet voor een periode van drie jaar, dan verwerkt zij het volledige bedrag in het jaar van toezegging als last en als verplichting.

203 Indien subsidieverplichtingen vervallen, dient de organisatie deze in het boekjaar waarin zij vervallen in de toelichting op de staat van baten en lasten zichtbaar in mindering te brengen op de verstrekte subsidies of giften.

Baten in natura

204 De organisatie dient baten in de vorm van goederen of diensten te waarderen tegen de reële waarde (voor zover deze betrouwbaar kan worden vastgesteld en materieel is) en tegen die reële waarde te verwerken in de staat van baten en lasten. Een voorbeeld van een bate in de vorm van goederen is de verkrijging van een pand voor een bedrag lager dan de reële waarde dan wel ‘om niet’. Een voorbeeld van een bate in de vorm van diensten is het om niet of tegen een sterk gereduceerd tarief verrichten van diensten door een notaris. Vrijwilligerswerk wordt niet in de staat van baten en lasten opgenomen. Indien vrijwilligerswerk belangrijk is voor de organisatie, maakt zij daarvan in haar bestuursverslag melding.

Subsidiebaten

204a Organisaties-zonder-winststreven ontvangen soms subsidies die door de verstrekker afhankelijk zijn gesteld van de uitvoeringskosten van of investeringsuitgaven voor een project of van het exploitatietekort van de gehele organisatie, dan wel afhangen van een door de organisatie geleverde prestatie. Voorbeelden van veel voorkomende subsidies zijn:

– subsidies voor prestaties, bijvoorbeeld voor wetenschappelijk onderzoek;
– investeringssubsidies, bijvoorbeeld bijdragen in de stichtingskosten van een gebouw;
– exploitatiesubsidies, bijvoorbeeld bijdragen in een exploitatietekort van een vereniging of instelling.

204b Voor de verwerking, waardering en presentatie van subsidiebaten dient hoofdstuk 274 Overheidssubsidies zoveel als mogelijk te worden toegepast.

Baten met een bijzondere bestemming

205 Indien baten waarvoor een bijzondere bestemming is aangewezen in het verslagjaar niet volledig zijn besteed, dient de organisatie de omvang van de nog niet bestede bedragen via de resultaatbestemming toe te voegen aan de bestemmingsreserves respectievelijk bestemmingsfondsen.

206 Indien de organisatie in een volgend verslagjaar uit deze bestemmingsreserves respectievelijk bestemmingsfondsen put, dient zij deze besteding in de staat van baten en lasten als last te verwerken. Zij dient deze besteding te verwerken via de resultaatbestemming als een onttrekking aan de bestemmingsreserves respectievelijk bestemmingsfondsen.

207 De organisatie bepaalt het resultaat inclusief de baten en lasten met een bijzondere bestemming.

Baten uit nalatenschappen

208 De organisatie dient baten uit nalatenschappen te verwerken in het boekjaar waarin de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld. Zij verwerkt voorlopige uitbetalingen in de vorm van voorschotten in het boekjaar waarin ze worden ontvangen als baten uit nalatenschappen. De omvang van een bate uit nalatenschap kan betrouwbaar worden vastgesteld als, op grond van
het stadium waarin de afhandeling van de nalatenschap zich bevindt, een betrouwbare schatting van de ontvangst kan worden gemaakt. Hiervan is in ieder geval sprake bij ontvangst van de akte
van verdeling. Bij de waardering van nalatenschappen dient de organisatie rekening te houden met eventuele rechten van vruchtgebruik.

Baten uit loterijen

209 De organisatie dient baten uit eigen loterijen te verantwoorden voor het totaalbedrag van de inleg vermeerderd met de waarde van de om niet verkregen prijzen en verminderd met de waarde van de verstrekte prijzen.

640.3 Presentatie Jaarverslaggeving #

301 De jaarverslaggeving van de organisatie dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten:
– jaarrekening, bestaande uit:

  • de balans, met de vergelijkende cijfers van het vorige boekjaar;
  • de staat van baten en lasten, met de vergelijkende cijfers van het vorige boekjaar;
  • de toelichting op de balans en de staat van baten en lasten;
  • bestuursverslag, waarin ten minste opgenomen:
    • de omschrijving van de doelstelling;
    • de samenstelling van bestuur en directie;
    • een verslag van de activiteiten.

302 Het verdient aanbeveling dat de organisatie de term ‘winst-en-verliesrekening’ vervangt door de term ‘staat van baten en lasten’. Andere benamingen die het karakter van dit overzicht beter weergeven zijn ook aanvaardbaar.

303 De organisatie dient voor zover van toepassing in de jaarverslaggeving eveneens op te nemen onder het hoofd Overige gegevens de controleverklaring van de accountant.

Kasstroomoverzicht

304 Het verdient sterke aanbeveling dat de organisatie in de toelichting van de jaarrekening een kasstroomoverzicht opneemt. Op het kasstroomoverzicht zijn de bepalingen van
hoofdstuk 360 Het kasstroomoverzicht van toepassing.

Begrotingscijfers

305 De organisatie dient in de staat van baten en lasten de begrotingscijfers van het boekjaar op te nemen, tenzij de functie die zij aan de begroting toekent dat niet zinvol maakt. Van dit laatste is bijvoorbeeld sprake als zij de begroting niet als belangrijk stuurinstrument gebruikt voor de beheersing van de activiteiten.

Resultaatbestemming

306 De organisatie dient de resultaatbestemming onder de staat van baten en lasten op te nemen. Zij dient toevoegingen aan en onttrekkingen uit de bestemmingsreserves en bestemmingsfondsen als afzonderlijke posten in de resultaatbestemming te vermelden.

Modellen

307 De modellen zoals opgenomen in het Besluit modellen jaarrekening zijn blijkens artikel 1 van dat Besluit alleen voorgeschreven voor de naamloze en de besloten vennootschap. De in het Besluit opgenomen modellen worden slechts toegepast bij de organisatie voor zover dit een goed inzicht geeft in haar bijzondere karakteristiek. Teneinde dit inzicht te geven worden
omschrijvingen van en indelingen in posten voor zover nodig aangepast.

308 De organisatie dient bij de indeling van de staat van baten en lasten een keuze te maken tussen het categoriale en het functionele model.

309 In het categoriale model dienen – voor zover van toepassing – tenminste de volgende categorieën baten te worden onderscheiden:

  • baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten (zie ook alinea 320);
  • subsidiebaten (zie ook alinea 408 tot en met 410);
  • sponsorbijdragen;
  • giften en baten uit fondsenwerving;
  • financiële baten;
  • overige baten.

In het categoriale model dienen – voor zover van toepassing – ten minste de volgende categorieën lasten te worden onderscheiden:

  • inkoopwaarde van geleverde producten;
  • personeelskosten;
  • afschrijvingen op vaste activa;
  • verstrekte subsidies of giften (zie ook alinea 203);
  • financiële lasten;
  • overige lasten.

Eigen vermogen

310 Het eigen vermogen van de organisatie heeft een bijzonder karakter. In het algemeen geldt dat het eigen vermogen niet is bedoeld om te eniger tijd aan de eigenaren van de organisatie te worden uitgekeerd, zoals bij een onderneming, maar dat het slechts kan worden aangewend in overeenstemming met de doelstellingen waarvoor zij in het leven is geroepen. Meer specifiek geldt dat het de stichting en de vereniging ingevolge artikel 2:285 lid 3 BW respectievelijk artikel 2:26 lid 3 BW niet is toegestaan uitkeringen te doen aan oprichters of leden van de rechtspersoon of aan hen die deel uitmaken van zijn organen.

311 De organisatie dient in de balans of in de toelichting het eigen vermogen zodanig te presenteren dat daaruit blijkt welk gedeelte vrij besteedbaar is en welk gedeelte op enigerlei wijze is vastgelegd.

312 In het geval van een stichting komt het voor dat bij de oprichting een beginkapitaal is ingebracht. Dit gedeelte van het eigen vermogen wordt bij voorkeur aangeduid als kapitaal of stichtingskapitaal.

313 Indien de organisatie een deel van het eigen vermogen heeft afgezonderd omdat daaraan een beperktere bestedingsmogelijkheid is gegeven dan gezien haar doelstelling zou zijn toegestaan en deze beperking is door het bestuur aangebracht, dient zij dit deel aan te merken als bestemmingsreserve.

314 Het gedeelte van het eigen vermogen waarover de daartoe bevoegde organen zonder belemmering door wettelijke of statutaire bepalingen kan beschikken voor het doel waarvoor de organisatie is opgericht, wordt bij voorkeur aangeduid als algemene reserve of overige reserve.

315 Indien de organisatie een deel van het eigen vermogen heeft afgezonderd omdat daaraan een beperktere bestedingsmogelijkheid is gegeven dan gezien haar doelstelling zou zijn toegestaan en deze beperking is door derden aangebracht, dient zij dit deel aan te merken als bestemmingsfonds. De reden voor het onderscheid tussen bestemmingsfonds en bestemmingsreserve is dat bij een bestemmingsreserve het bestuur de beperking in de bestemming heeft aangebracht en dus ook weer kan opheffen, zodat in wezen nog steeds sprake is van vrij besteedbaar vermogen. Mutatis mutandis geldt het in deze alinea gestelde ook indien de beperking door de ledenvergadering van een vereniging is aangebracht.

316 Bestemmingsreserves en bestemmingsfondsen dienen te worden onderscheiden van voorzieningen.

317 De organisatie dient voor iedere post van het eigen vermogen een verloopoverzicht in de toelichting op te nemen.

318 Indien de organisatie een geconsolideerde jaarrekening opstelt, splitst zij het groepsvermogen niet uit maar presenteert onder het groepsvermogen alleen een eventueel aandeel derden dat niet aan haar toekomt.

Baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten

319 Baten als tegenprestatie voor de levering van producten en/of diensten worden in de staat van baten en lasten weergegeven als omzet of met een meer kenmerkende omschrijving zoals abonnementsgelden, deelnemersbijdragen, huuropbrengsten of recettes.

Overige baten

320 Bijdragen van leden en/of donateurs worden als opbrengstencategorie afzonderlijk vermeld met bijvoorbeeld de omschrijving contributies of donaties, tenzij zij het karakter hebben van tegenprestatie voor de levering van specifieke producten en/of diensten.

640.4 Toelichting #

401 Als de organisatie de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving integraal heeft toegepast, dient zij hiervan melding te maken in de toelichting van de jaarrekening.

401a De organisatie dient in de toelichting te vermelden de statutaire naam, vestigingsplaats en rechtsvorm.

Begroting

402 De organisatie dient in de toelichting de verschillen tussen de begroting en de werkelijke cijfers te analyseren, tenzij de functie die zij aan de begroting toekent dat niet zinvol maakt. Van dit laatste is bijvoorbeeld sprake als zij de begroting niet als belangrijk stuurinstrument gebruikt voor de beheersing van de activiteiten.

Eigen vermogen

403 De organisatie dient verschillen tussen de omvang van het groepsvermogen in de geconsolideerde balans en de omvang van het eigen vermogen in de enkelvoudige balans toe te lichten.

404 De organisatie dient in de toelichting het bedrag en de beperkte doelstelling van ieder bestemmingsfonds te vermelden, alsmede de reden van deze beperking en alle overige voorwaarden die door de derden zijn gesteld.

405 De organisatie dient in de toelichting het bedrag en de beperkte doelstelling van iedere bestemmingsreserve te vermelden, alsmede het feit dat het bestuur deze beperking heeft aangebracht.

406 Indien de statuten voorschrijven dat bepaalde reserves met beperkte bestedingsmogelijkheid worden gevormd, dient de organisatie in de toelichting het bedrag en de aard van deze statutaire bepalingen te vermelden.

Baten in natura

407 Indien van belangrijke baten in de vorm van zaken of diensten de waarde niet op betrouwbare wijze kan worden geschat, dient de organisatie daarvan in de toelichting melding te maken.

Baten met een bijzondere bestemming

408 De organisatie dient baten waarvoor een bijzondere bestemming is aangewezen afzonderlijk in de toelichting op de staat van baten en lasten te vermelden.

Subsidiebaten

409 Indien verschillende soorten subsidies en/of subsidies van verschillende categorieën subsidiegevers – overheden (EU, Rijk) of anderen (bedrijven, andere organisaties) – worden verkregen, dient de organisatie in de (toelichting op de) staat van baten en lasten de verkregen subsidies afzonderlijk per hoofdgroep te vermelden. Zij dient in de toelichting te vermelden of de betreffende subsidies een incidenteel dan wel structureel karakter hebben.

410 Het doel van de indeling zoals aangegeven in alinea 409 is om gebruikers van de jaarrekening in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de mate waarin de opbrengsten een incidenteel dan wel een permanent karakter hebben. Hieruit kan inzicht worden verkregen in de risico’s die de organisatie loopt ten aanzien van de in de toekomst te verwachten opbrengsten.

411 De organisatie dient in de toelichting eventuele subsidievoorwaarden te vermelden. Zij dient te vermelden in hoeverre subsidieafrekeningen nog niet door de subsidieverlener zijn goedgekeurd.

Kostentoerekening

412 De organisatie dient de wijze waarop kostentoerekening aan activiteiten plaatsvindt, in de toelichting te vermelden.

Personeelsbeloningen

413 De organisatie dient het bedrag van de bezoldiging met inbegrip van de pensioenlasten van de bestuurders, gewezen bestuurders, toezichthouders en gewezen toezichthouders in de toelichting te vermelden. Tevens dient de organisatie de bedragen te vermelden van verstrekte leningen, voorschotten en garanties aan (gewezen) bestuurders en (gewezen) toezichthouders. Indien van toepassing vermeldt de organisatie de nog openstaande bedragen, de rentevoet, de belangrijkste overige bepalingen, en de aflossingen gedurende het boekjaar. Informatie over bovenstaande bezoldiging hoeft niet te worden vermeld als het bedrag tot een enkele natuurlijke persoon kan worden herleid. De organisatie vermeldt de gegevens over de bezoldiging en dergelijke van (gewezen) bestuurders en van (gewezen) toezichthouders in overeenstemming met paragraaf 6 Bezoldiging van bestuurders en commissarissen van hoofdstuk 271 Personeelsbeloningen. Indien de organisatie de financiële gegevens van andere rechtspersonen of vennootschappen consolideert, worden de bedragen die ten laste van deze rechtspersonen of  vennootschappen zijn gekomen in de opgave begrepen. Naast het hiervoor in deze alinea vermelde gelden voor de organisatie, voor zover van toepassing, de toelichtingsvereisten van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. In paragraaf 7 van hoofdstuk 271 Personeelsbeloningen zijn deze toelichtingsvereisten nader uiteengezet. Voor de organisatie die onder het toepassingsgebied van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector valt, is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

414 De organisatie dient voor zover van toepassing in de toelichting op te nemen een opgave van de gebeurtenissen na de balansdatum met belangrijke financiële gevolgen, onder vermelding van de omvang van die gevolgen.

640.5 Bijzondere onderwerpen #

Geconsolideerde jaarrekening

501 De organisatie die aan het hoofd staat van haar groep, dient een geconsolideerde jaarrekening op te stellen waarin zijn opgenomen de eigen financiële gegevens met die van haar groepsmaatschappijen en andere rechtspersonen waarop zij een overheersende zeggenschap kan uitoefenen of waarover zij de centrale leiding heeft. Alinea 201 tot en met 207 van hoofdstuk 217 Consolidatie geeft aanwijzingen voor het bestaan van een zodanige groepsrelatie tussen organisaties (aldaar aangeduid met groepsmaatschappijen). Van belang is of een (overheersende) organisatie overheersende invloed heeft over een andere (overheerste) organisatie. Dit is het geval als het financiële en operationele beleid kan worden bepaald en op grond daarvan belangrijke economische voordelen kunnen worden behaald en tevens belangrijke economische risico’s worden gelopen met betrekking tot de activiteiten van de overheerste organisatie. Bij een dergelijke organisatie is vaak geen sprake van een relatie tussen de organisaties via aandelenbezit. De relatie tussen deze organisaties vindt dan in het bijzonder haar grond in de statutaire en contractuele bepalingen omtrent de invloed op het beleid en de economische voordelen en de risico’s met betrekking tot de activiteiten. Al deze bepalingen worden in de beschouwing betrokken teneinde in de specifieke situatie te beoordelen of sprake is van een groepsrelatie. Eenheid van bestuur van twee entiteiten is op zichzelf nog onvoldoende grondslag om te concluderen dat sprake is van een groep of een groepsrelatie. Gezien het specifieke karakter van dergelijke organisaties worden in alinea 502 tot en met 504 meer concrete aspecten genoemd die in het kader van deze beoordeling van belang zijn.

502 Aspecten met betrekking tot de invloed op het beleid van de andere entiteit die onder meer in de beoordeling van belang zijn:

  • het al dan niet beschikken over de meerderheid van stemrechten in het bestuur of gelijkwaardig bestuursorgaan van de andere entiteit; dan wel de mogelijkheid om anderszins doorslaggevende invloed uit te oefenen op dit stemrecht;
  • het al dan niet kunnen benoemen of ontslaan van de meerderheid van de leden van het bestuur of gelijkwaardig bestuursorgaan van de andere entiteit; het al dan niet kunnen uitbrengen van de meerderheid van stemrechten in de algemene vergadering van de andere entiteit of de mogelijkheid invloed uit te oefenen op het stemgedrag;
  • het al dan niet beschikken over een vetorecht over belangrijke beslissingen van het bestuur of gelijkwaardig bestuursorgaan van die andere entiteit dan wel de mogelijkheid dergelijke beslissingen te herroepen of aan te passen; bijvoorbeeld inzake operationele beslissingen, of
    met betrekking tot investeringsbudgetten;
  • de al dan niet bevoegdheid om goedkeuring te verlenen voor het aanstellen, herbenoemen en ontslaan van functionarissen op sleutelposities bij de andere entiteit;
  • of het mandaat van de andere entiteit is bepaald en beperkt is;
  • het al dan niet beschikken over bijzondere zeggenschapsrechten op grond waarvan invloed kan worden uitgeoefend op het financiële en operationele beleid van de andere entiteit. Bij een dergelijke Organisaties komt het veelvuldig voor dat een directie of bestuur functioneert
    en een raad van toezicht het toezicht uitoefent op de werkzaamheden van de directie of het bestuur en doorslaggevende invloed uitoefent op de besluitvorming. De raad van toezicht is dan te beschouwen als een voorbeeld van een ‘gelijkwaardig bestuursorgaan’ waaraan hierboven wordt gerefereerd.

503 Aspecten met betrekking tot de economische voordelen en de risico’s met betrekking tot de activiteiten die onder meer in de beoordeling van belang zijn:

  • het al dan niet beschikken over de macht de andere entiteit op te heffen en een substantieel
    aandeel in de overblijvende economische voordelen te verkrijgen of substantiële schulden te
    dragen;
  • het al dan niet beschikken over de macht uitkeringen van vermogensbestanddelen aan de
    andere entiteit te onttrekken, en/of het aansprakelijk zijn voor bepaalde verplichtingen van de
    andere entiteit;
  • het al dan niet direct of indirect bezitten van de eigendomstitel van het eigen vermogen van
    de andere entiteit met een recht hierover in continuïteit te beschikken;
  • het gerechtigd zijn tot een substantieel deel van het eigen vermogen van de andere entiteit in
    een bepaalde situatie, bijvoorbeeld in geval die andere entiteit wordt ontbonden;
  • de mogelijkheid de andere entiteit aanwijzingen te geven om medewerking te verlenen aan
    het bereiken van de eigen doelen;
  • het al dan niet blootgesteld zijn aan de overblijvende schulden van de andere entiteit.

504 Indien sprake is van economische afhankelijkheid van een bepaalde entiteit betekent dit nog niet noodzakelijkerwijs dat sprake is van overheersende zeggenschap door die andere entiteit. Bijvoorbeeld in het geval dat een bepaalde stichting haar fondsen grotendeels ontvangt van een andere stichting. Deze ontvangende stichting heeft zelf de bevoegdheid om te besluiten of zij fondsen accepteert van de donorstichting. De donorstichting heeft in een dergelijk geval weliswaar invloed, maar niet automatisch de macht om het financiële en operationele beleid te
bepalen.

505 De consolidatieplicht rust op het groepshoofd. Het groepshoofd is de rechtspersoon die de centrale leiding heeft over de groep en het beleid van de groep kan bepalen.

506 Uit alinea 206 van hoofdstuk 217 vloeit voort dat bij nevengeschikte Organisaties, waarvan de besturen een personele unie vormen, sprake kan zijn van een groepsrelatie. Wanneer geen sprake is van een groepsrelatie kan sprake zijn van verbonden partijen. Hoofdstuk 330
Verbonden partijen is van overeenkomstige toepassing op de organisatie.

507 Indien sprake is van een groep en indien in overeenstemming met de aanbeveling van alinea 304 een kasstroomoverzicht wordt opgenomen, dient dit overzicht op geconsolideerde basis te worden opgesteld.

508 De organisatie dient in de toelichting van de geconsolideerde jaarrekening inzicht te geven in de groepsstructuur. Zij dient van alle rechtspersonen en vennootschappen waarvan zij de financiële gegevens opneemt in de geconsolideerde jaarrekening de volgende informatie in de toelichting te vermelden:

  • statutaire naam, vestigingsplaats en rechtsvorm;
  • omschrijving van de doelstelling;
  • samenstelling van bestuur en directie.

509 Het is mogelijk dat het groepshoofd stichtingen en/of verenigingen in de consolidatie moet betrekken. Aangezien op de balans van het groepshoofd geen kapitaalbelang in een stichting of vereniging tot uitdrukking kan worden gebracht, is eliminatie van een zodanig kapitaalbelang tegenover het eigen vermogen van de stichting respectievelijk vereniging niet mogelijk. Het consolideren van jaarrekeningen van stichtingen en verenigingen komt daarom neer op het samenvoegen van de desbetreffende jaarrekeningen, onder eliminatie van onderlinge vorderingen en schulden en onderlinge baten en lasten. Het geconsolideerde eigen vermogen van de groep wijkt daardoor af van het eigen vermogen van het groepshoofd.

Segmentatie

510 Indien de organisatie zeer verschillende soorten activiteiten verricht en/of
activiteiten verricht op zeer uiteenlopende locaties, dienen per hoofdgroep van activiteiten
respectievelijk locaties de relevante posten van de balans en de staat van baten en lasten te
worden gesegmenteerd.
Bij de indeling naar hoofdgroepen kan de organisatie zich richten naar hoofdstuk 350
Gesegmenteerde informatie, paragraaf 2 en 3.
511 Informatie over de verschillende activiteiten en locaties (gesegmenteerde informatie)
is relevant om inzicht te krijgen in de rendementen en risico’s, efficiëntie en effectiviteit van
deze activiteiten en in de toekomstige ontwikkeling hiervan.
Bestuursverslag
512 Aan het bestuursverslag van de organisatie komt een bijzondere betekenis toe. De
aard van de activiteiten brengt namelijk met zich mee, dat de maatschappelijke betekenis van de
activiteiten slechts in beperkte mate uit de jaarrekening kan blijken. Daarom worden hierna, in
aanvulling op hoofdstuk 400 Bestuursverslag, nog enkele richtlijnen gegeven.
513 Het bestuursverslag, ook wel aangeduid als activiteitenverslag, dient te
beschrijven wat de doelstelling van de organisatie is, met welk beleid die doelstelling wordt
nagestreefd en op welke wijze de belangrijkste activiteiten daar inpassen.
514 Aangezien de maatschappelijke betekenis van de activiteiten slechts in beperkte mate
uit de financiële gegevens van de jaarrekening blijkt, geeft de organisatie het resultaat van de
12
activiteiten verbaal weer in het bestuursverslag, waar mogelijk ondersteund door andersoortige
gekwantificeerde informatie.
515 Bij de indeling van het bestuursverslag zoekt de organisatie aansluiting bij de indeling
zoals beschreven in alinea 510.
516 De organisatie dient in het bestuursverslag melding te maken van belangrijke
stellige bestuurlijke voornemens en inmiddels in het nieuwe jaar genomen besluiten,
alsmede van de financiële vertaling daarvan. Zij dient de begroting voor het jaar volgend
op het verslagjaar in samenvattende vorm op te nemen, tenzij de functie die zij aan de
begroting toekent dat niet zinvol maakt. Van dit laatste is bijvoorbeeld sprake als zij de
begroting niet als belangrijk stuurinstrument gebruikt voor de beheersing van de activiteiten.
516a De organisatie dient in het bestuursverslag inzicht te geven in de mate waarin
baten eenmalig of jaarlijks terugkerend zijn. Hiermee geeft de organisatie inzicht in risico’s
ten aanzien van continuïteit van de baten.
517 De organisatie dient haar beleid met betrekking tot de omvang en functie van
het vrij besteedbare vermogen, zoals bedoeld in alinea 311, te vermelden.
Hierbij wordt aandacht geschonken aan verwerking van een eventueel groot batig of nadelig
saldo, alsmede aan de continuïteit van de organisatie.
518 De organisatie dient belangrijke wijzigingen in de (statutaire) doelstelling met
redenen omkleed in het verslag te vermelden.
519 Indien de organisatie beleggingen heeft, dient zij in het bestuursverslag een
uiteenzetting op te nemen van het gevoerde beleggingsbeleid en dient zij inzicht te geven in
de risico’s.
Openbaarmaking
520 Behalve voor de organisatie die onder Titel 9 Boek 2 BW valt, gelden veelal geen
wettelijke voorschriften tot openbaarmaking van de jaarstukken.
521 Gezien de veelal maatschappelijke betekenis van de organisatie wordt echter
aanbevolen dat zij de jaarstukken aan belanghebbenden en belangstellenden ter beschikking stelt,
zodra ze zijn vastgesteld door de bevoegde organen.
Stichting Administratiekantoor
Algemene uiteenzetting
522 De zogenoemde ‘Stichting Administratiekantoor’ (hierna ‘Administratiekantoor’)
heeft als algemene statutaire doelstelling meestal het tegen toekenning van certificaten, ten titel
van beheer in eigendom verwerven, beheren en administreren van aandelen. Voortvloeiend uit
deze doelstelling oefent het Administratiekantoor de taken uit van de aan de geadministreerde
aandelen verbonden rechten, zoals het stemrecht en het claimrecht. Tevens verzorgt het
13
Administratiekantoor de doorbetaling van ontvangen dividenden en andere uitkeringen
(waaronder begrepen de liquidatie-uitkeringen) aan de certificaathouders.
523 Op grond van de algemene bepalingen in artikel 2:10 lid 1 en 2 BW is het bestuur van
een Administratiekantoor verplicht tot het voeren van een administratie en het opmaken van een
balans met een staat van baten en lasten. Voor het Administratiekantoor gelden de algemene
uitgangspunten van jaarverslaggeving zoals vermeld in dit hoofdstuk.
Verwerking van de aandelen en de certificaten in de balans
524 Hoofdstuk 115 Criteria voor opname en vermelding van gegevens beschrijft onder
meer de voorwaarden voor het verwerken van een actief in de balans. Indien het niet
waarschijnlijk is dat toekomstige economische voordelen verbonden aan de in beheer
gehouden aandelen aan het Administratiekantoor toevloeien, dient het
Administratiekantoor die aandelen niet als activa in de jaarrekening te verwerken. Het
Administratiekantoor dient eveneens geen verplichting op te nemen voor de uitgegeven
certificaten indien het niet waarschijnlijk is dat die certificaten worden afgewikkeld door
een uitstroom van middelen die economische voordelen in zich bergen.
525 Op grond van de Administratievoorwaarden beschikt het Administratiekantoor
vrijwel nooit over het economisch eigendom van de aandelen, aangezien het
Administratiekantoor de beschikkingsmacht over de in de aandelen belichaamde waarde
ontbeert. Dit houdt in dat het Administratiekantoor dan geen toekomstige economische
voordelen zal behalen. De in beheer gehouden aandelen kwalificeren in dat geval derhalve niet
als een actief volgens de bepalingen in hoofdstuk 115, alinea 104.
Tegelijkertijd heeft het Administratiekantoor op grond van de Administratievoorwaarden vrijwel
nooit verplichtingen jegens de certificaathouders. Slechts op het moment dat voordelen
verbonden aan de aandelen beschikbaar komen (waaronder het ontvangen van dividend) ontstaat
een verplichting voor het Administratiekantoor om die uit te keren aan de certificaathouders.
526 Gezien de aard en de doelstelling van de beheerverantwoording van het
Administratiekantoor is het toegestaan de in beheer gehouden aandelen en de uitgegeven
certificaten als pro memorie (p.m.) in de balans te verantwoorden.
Verwerking van ontvangsten op aandelen en uitkeringen op certificaten in de staat van baten en
lasten
527 Het Administratiekantoor dient ontvangsten op aandelen en uitkeringen op
certificaten niet als baten en lasten in de staat van baten en lasten te verwerken, indien de
aandelen en de certificaten niet in de balans zijn verwerkt in overeenstemming met alinea
524.
528 Indien aan het Administratiekantoor geen toekomstige economische voordelen
toevloeien, merkt zij de ontvangsten op aandelen niet aan als baten. Voor het
Administratiekantoor bestaat namelijk de verplichting om hetgeen ontvangen wordt, direct uit te
keren aan de certificaathouders.
14
Toelichting
529 Het Administratiekantoor dient het volgende in de toelichting van de
jaarrekening op te nemen met betrekking tot de aandelen en de certificaten:
– het aantal en het relatieve belang van de in beheer gehouden aandelen van de relevante
rechtspersoon;
– de rechten die samenhangen met deze aandelen;
– het aantal en het relatieve belang van de uitgegeven certificaten;
– de voorwaarden van certificering en de mogelijkheid tot royering;
– de ontvangsten op aandelen en de uitkeringen op certificaten.