Voedselbanken en de ANBI-status

Domein:

Doel memo en voorbehoud #

Dit memo is een praktisch hulpmiddel voor bestuurders en penningmeesters van voedselbanken om grip te houden op de ANBI-status en vast te stellen of de voedselbank voldoet aan de actuele wet- en regelgeving. Het is opgesteld naar de stand van de wetgeving per 4 maart 2026 en dient niet ter vervanging van professioneel advies. Bij vragen of onduidelijkheden kan contact worden opgenomen met Voedselbanken Nederland. Inhoudsopgave

1. ANBI-status 2
1.1. Voordelen voor de voedselbank 2
1.2. Voordelen voor begunstigers 2
1.3. Voorwaarden en belang voor voedselbanken 2
2. ANBI-voorwaarden 3
3. Algemeen nut vereiste nader belicht 6
3.1. Tweetraptoets 7
3.2. Commerciële activiteiten 7
4. Bestedingscriterium nader belicht (anti-oppoteis) 8
4.1. Bestedingscriterium volgens de wet- en regelgeving 8
4.2. Invulling bestedingscriterium door staatssecretaris 9
5. Conclusie: Oproep tot jaarlijkse controle 13

1. ANBI-status #

Een status als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) is een fiscale status die de Belastingdienst toekent aan instellingen die zich voor minstens 90% inzetten voor het algemeen belang. Deze status biedt belangrijke fiscale voordelen voor zowel de instelling zelf als voor haar begunstigers. Zolang voedselbanken over de ANBI-status beschikken, kunnen ze gebruik maken van die fiscale voordelen.

1.1. Voordelen voor de voedselbank

De ANBI-status biedt onder voorwaarden de volgende voordelen voor de voedselbank zelf:

  • Vrijstelling van schenk- en erfbelasting over ontvangen giften, legaten en erfenissen, en voor schenkingen die de voedselbank doet.
  • De vergoeding die een vrijwilliger ontvangt, is onder voorwaarden onbelast voor de loonbelasting.
  • Wanneer vrijwilligers afzien van een vergoeding, kunnen zij een aftrek van inkomstenbelasting claimen.
  • Ze komen in aanmerking voor een teruggaaf van 50% van de betaalde energiebelasting.
  • Een erkende maatschappelijke status die het vertrouwen van donateurs, overheden en samenwerkingspartners vergroot.
  • Niet-fiscale voordelen, zoals de mogelijkheid om aanspraak te maken op een Google Ad Grant en kortingen op softwarepakketten van bijvoorbeeld Microsoft voor zover en zolang deze door de betreffende leveranciers worden aangeboden.

1.2. Voordelen voor begunstigers

Ook begunstigers van voedselbanken profiteren van de ANBI-status:

  • Donateurs kunnen onder voorwaarden eenmalige en periodieke schenkingen in aftrek brengen van hun belastbaar inkomen, waardoor zij minder belasting hoeven te betalen. Privépersonen doen dit in de inkomstenbelasting, rechtspersonen (zoals BV’s) in de vennootschapsbelasting.
  • Leveranciers, samenwerkingspartners en andere stakeholders weten dat zij te maken hebben met een transparante organisatie die voldoet aan strikte governance- en verantwoordingseisen, hetgeen het vertrouwen in voedselbanken verstrekt.

1.3. Voorwaarden en belang voor voedselbanken

Tegenover deze voordelen staat dat de voedselbank moet voldoen aan diverse voorwaarden op het gebied van vermogensbeheer, besteding van middelen, governance en transparantie. Niet-naleving kan leiden tot intrekking van de ANBI-status, mogelijk zelfs met terugwerkende kracht. Dit kan tot onwenselijke fiscale en financiële nadelen en reputatieschade leiden. Omdat voedselbanken afhankelijk zijn van giften en de vrijwillige inzet door vrijwilligers, is de ANBI-status van groot belang voor de continuïteit. Donateurs verwachten dat hun bijdragen fiscaal aftrekbaar zijn en dat de voedselbank transparant en integer opereert. Daarnaast zouden samenwerkingspartners als voorwaarde kunnen stellen dat de voedselbank over de ANBI-status beschikt. Het is daarom belangrijk dat voedselbanken bekend zijn met de ANBIvoorwaarden en hieraan blijven voldoen.

2. ANBI-voorwaarden #

Om de ANBI-status te verkrijgen en te behouden moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen. Vanwege de complexiteit van voorwaarden 2 (algemeen nut vereiste) en 6 (bestedingscriterium) staat in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 een nadere toelichting van deze voorwaarden.

Rechtsvorm

1. Voedselbanken in de vorm van een stichting of vereniging komen in aanmerking voor de ANBI-status.

2. Uit de statuten en de dagelijkse gang van zaken van de voedselbank blijkt dat de voedselbank zich voor minstens 90% inzet voor het algemeen belang. Het verrichten van eventuele commerciële activiteiten staat niet in de weg aan het verkrijgen van de ANBI-status, mits de voedselbank de inkomsten uit deze commerciële activiteiten binnen een redelijke termijn voor minstens 90% besteedt aan haar doelstelling (algemeen nut vereiste).

3. Uit de statuten en de dagelijkse gang van zaken blijkt dat de voedselbank geen winstoogmerk heeft met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten. Dit betekent concreet dat in de statuten een bepaling staat dat de voedselbank geen winstoogmerk heeft, niet streeft naar winst of iets soortgelijks. Daarnaast behaalt de voedselbank over het geheel van de algemeen nuttige activiteiten per saldo geen positief resultaat. Giften, legaten en subsidies blijven voor deze berekening buiten beschouwing.

4. In de statuten van de voedselbank is expliciet vastgelegd dat na opheffing van de instelling het batig liquidatiesaldo wordt besteed aan een ANBI of een buitenlandse instelling die voor minstens 90% het algemeen nut beoogt. Met andere woorden: de statuten moeten een bepaling bevatten waarin dit is geregeld en de Belastingdienst controleert strikt op een juiste formulering van deze bepaling.

5. Uit zowel de statuten als de dagelijkse gang van zaken moet blijken dat niemand – geen natuurlijk persoon of rechtspersoon – kan beschikken over het geld en de bezittingen van de voedselbank alsof het van die persoon is, dat wil zeggen ten behoeve van zichzelf buiten de algemeen nuttige doelstelling van de voedselbank (beschikkingsmachtcriterium). Dit heeft gevolgen voor hoe het bestuur en eventueel toezicht binnen de voedselbank is ingericht. Een bestuurder en beleidsbepaler mag niet meer zeggenschap over het vermogen hebben dan een ander. Ook mag volgens de Belastingdienst één bestuurder of beleidsbepaler niet de doorslag kunnen geven of een veto hebben. Voor voedselbanken betekent dit dat het bestuur uit minimaal drie personen moet bestaan, die allemaal evenveel stemrecht hebben. Zo kan geen enkel persoon alleen beslissen over het vermogen. Let daarnaast op familieverhoudingen binnen het bestuur: voorkom zoveel mogelijk dat onderling verwante bestuurders (zoals echtgenoten/partners, ouders en (schoon)kinderen, of broers en zussen) gezamenlijk de feitelijke meerderheid kunnen vormen of
uitoefenen. Leg in de statuten vast dat verwante bestuurders nooit samen de meerderheid van de stemmen hebben en dat een bestuurder bij een (direct of indirect) tegenstrijdig belang niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming; borg dit ook in de praktijk door dit in de notulen op te nemen. Let op: het beschikkingsmachtcriterium geldt niet alleen op papier, maar ook in de praktijk. Het moet dus uit de statuten blijken én het moet ook echt in de praktijk zo werken. Wees daarom extra alert wanneer er bestuursposities openstaan. In zulke periodes kan het namelijk gebeuren dat de verhoudingen binnen het bestuur tijdelijk niet meer aan de eisen voldoen. Het is wenselijk deze overgangsperiode zo kort mogelijk te houden om discussie met de Belastingdienst te voorkomen.
Financiële voorwaarden

6. De voedselbank houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de organisatie. Een continuïteitsreserve van maximaal anderhalf keer het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie over de afgelopen drie jaar is volgens de Staatssecretaris van Financiën in beginsel acceptabel (Besluit ANBI).

7. Leden van het hoogste beleidsbepalende orgaan mogen vacatiegeld ontvangen dat niet bovenmatig is (beloningscriterium). Het hoogste beleidsbepalende orgaan is doorgaans het bestuur van de voedselbank tenzij de voedselbank ook een raad van toezicht heeft. In dat geval ziet deze bepaling op de raad van toezicht. Vacatiegeld is een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen. Dit bedrag is in elk geval niet te hoog als het niet meer is dan wat in het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies staat. Een vacatiegeld is in ieder geval niet bovenmatig bij maximaal 3% van het maximum van salarisschaal 18 (voorzitter: 130%). Voor de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2025 is dat maximaal € 360,63 per vergadering (leden) en € 468,82 (voorzitter). Controleer hiervoor steeds de meest recente
Belastingdiensttabel. Bij voedselbanken werken bestuurders meestal als vrijwilliger en ontvangen hoogstens een vrijwilligersvergoeding en een kostenvergoeding voor werkelijk gemaakte kosten. In dat geval voldoet de voedselbank aan het beloningscriterium omdat dan geen vacatiegelden worden betaald.

8. De beheerkosten van de voedselbank moeten in redelijke verhouding staan tot de bestedingen voor het doel van de voedselbank. Wat ‘redelijk’ is kan per instelling verschillen, afhankelijk van de aard van de instelling. Onder beheerkosten vallen de (indirecte) kosten die betrekking hebben op de voedselbank zelf, zoals administratiekosten, kosten van management, kosten van vermogensbeheer en kosten van de bestuurders en/of toezichthouders. Nu een groot deel van de werkzaamheden bij voedselbanken door vrijwilligers wordt uitgevoerd, zullen de beheerkosten doorgaans relatief laag zijn in verhouding tot de bestedingen aan de doelstelling (voedselhulp). Onder beheerkosten vallen niet de kosten die als algemeen nuttige besteding zijn aan te merken en kosten die samenhangen met fondswerving, inclusief commerciële activiteiten. Denk daarbij bijvoorbeeld aan kosten voor inname/inkoop, sorteren, opslag en distributie van voedsel en uitgiftepunten.

Beleidsplan en publicatieverplichting

9. Er moet een actueel beleidsplan zijn dat inzicht geeft in (1) de werkzaamheden ter verwezenlijking van de doelstelling van de voedselbank, (2) de wijze van werving van inkomsten, (3) de wijze van het beheer van het vermogen en (4) de wijze van besteding van het vermogen. In het beleidsplan staat centraal op welke wijze de voedselbank van plan is om haar doelstellingen te bereiken. Daarom is het belangrijk dat het  beleidsplan actueel is. Het advies is dan ook om het beleidsplan periodiek (om de twee-drie jaar) te actualiseren en regelmatig te bespreken in bestuursvergaderingen.

10. De voedselbank is verplicht online binnen zes maanden na afloop van het boekjaar informatie over haar functioneren te publiceren.

Deze informatie moet in ieder geval bestaan uit:

  • De officiële naam van de voedselbank.
  • Het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatienummer (RSIN).
  • Het post- of bezoekadres, of het telefoonnummer, of het e-mailadres van de voedselbank.
  • De doelstelling volgens de statuten.
  • De hoofdlijnen van het actuele beleidsplan, zoals beschreven onder voorwaarde 9.
  • De bestuurssamenstelling, het beloningsbeleid van de voedselbank en de namen van de bestuurders:
  • Het beloningsbeleid ziet op de beloning van de leden van het beleidsbepalende orgaan van de instelling, zoals beschreven onder voorwaarde 7.
  • Daarnaast moet de voedselbank het beloningsbeleid voor het personeel (vrijwilligers) bekendmaken.
  • De voedselbank moet de namen van haar bestuurders bekendmaken.
  • Een actueel verslag van de uitgeoefende activiteit of activiteiten van de voedselbank (beleidsplan).
  • De balans en de staat van baten en lasten, met toelichting, van de voedselbank. Deze informatie moet de voedselbank telkens binnen zes maanden na afloop van het boekjaar openbaar maken.
  • Voor ‘grotere voedselbanken’ geldt dat zij gebruik moeten maken van standaardformulieren bij de verplichte publicatie van de jaarlijkse financiële verantwoording. Van een grotere voedselbank is sprake als in het betreffende boekjaar de totale baten ten minste 50.000 euro bedragen.

In het kader van de publicatieplicht zijn standaardformulieren beschikbaar via de website van de Belastingdienst. Per type ANBI is een apart standaardformulier beschikbaar. Voor voedselbanken (fondswervende ANBI’s, die actief geld of goederen werven) geldt het ‘Standaardformulier publicatieplicht Fondswervende instellingen’. De grote voedselbanken (met baten van meer dan 50.000 euro) zijn verplicht hiervan gebruik te maken, voor kleinere voedselbanken is het gebruik optioneel. Als een voedselbank beschikt over een erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) volstaat een online verwijzing naar het zogenoemde Erkenningspaspoort en hoeft geen standaardformulier te worden gepubliceerd.

11. Uit de administratie van de voedselbank moeten een aantal punten blijken:

  • Welke bedragen per beleidsbepaler zijn betaald aan kostenvergoeding, vacatiegelden en overige betalingen.
  • Welke kosten de instelling heeft gemaakt ten behoeve van het beheer van de voedselbank.
  • Wat de overige uitgaven en bestedingen zijn van de voedselbank.
  • Wat de aard en de omvang zijn van de inkomsten en het vermogen van de voedselbank.

Overige voorwaarden

12. De voedselbank zelf, maar ook bestuurders, feitelijk leidinggevenden en gezichtsbepalende personen, mogen in de afgelopen vier kalenderjaren niet onherroepelijk veroordeeld zijn voor het opzettelijk plegen van een misdrijf waarmee de rechtsorde ernstig is geschonden (integriteitstoets). Wordt iemand binnen de organisatie toch veroordeeld voor zo’n misdrijf, dan kan de voedselbank zich van deze persoon distantiëren. Op die manier kan de voedselbank voorkomen dat haar ANBI-status wordt ingetrokken. Bij twijfel aan de integriteit van de voedselbank of van iemand die erbij betrokken is, kan de Belastingdienst om een recente Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) vragen.

3. Algemeen nut vereiste nader belicht #

Het algemeen nut vereiste houdt in dat uit de statuten en de dagelijkse gang van zaken van de voedselbank moet blijken dat de voedselbank zich voor minstens 90% inzet voor het algemeen belang. Het verrichten van commerciële activiteiten staat niet in de weg aan het verkrijgen en behouden van de ANBI-status, mits de voedselbank de inkomsten uit deze commerciële activiteiten binnen een redelijke termijn voor minstens 90% besteedt aan haar doelstelling.

Het algemeen nut vereiste werkt door in een tweetrapstoets: een kwalitatieve toets en een kwantitatieve toets.

3.1. Tweetraptoets
3.1.1. Kwalitatieve toets

De kwalitatieve toets bestaat uit twee voorwaarden:

  1. De doelstelling moet rechtstreeks gericht zijn op een algemeen belang dat valt onder één of meer wettelijke categorieën van algemeen nut. De dagelijkse gang van zaken moet hiermee overeenkomen en het nagestreefde doel moet voldoende concreet zijn omschreven.
  2. De doelgroep waarop de werkzaamheden zich richten mag niet besloten zijn. Een doelgroep is besloten als deze zo beperkt is dat toetreding of vervanging niet mogelijk is, of alleen mogelijk is via geboorte of huwelijk, of als de groep beperkt is tot slechts één persoon of  organisatie. Werkzaamheden die aan beide voorwaarden voldoen, dienen rechtstreeks het algemeen belang.

3.1.2. Kwantitatieve toets
Bij de kwantitatieve toets wordt beoordeeld of minstens 90% van de werkzaamheden het algemeen nut dient. De nadruk ligt hierbij op de uitgaven: wat wordt er daadwerkelijk besteed aan de doelstelling? Daarnaast zijn de activiteiten zelf een relevante maatstaf.

3.1.3. Voedselbanken en het algemeen nut vereiste
Voor voedselbanken is het algemeen nut vereiste doorgaans geen aandachtspunt. Vrijwel alle activiteiten zijn doorgaans gericht op het verstrekken van voedselhulp aan mensen in armoede en het tegengaan van voedselverspilling. Beide zijn wettelijke algemeen nuttige doelen (welzijn en bescherming van natuur en milieu, waaronder duurzaamheid). Daarnaast kan iedereen die aan een bepaalde inkomensgrens voldoet toetreden tot de doelgroep van de voedselbank en is dus geen sprake van een besloten groep.

3.2. Commerciële activiteiten
Naast het werven van gelden bij derden mag een ANBI ook middelen verwerven door middel van het zelf ontplooien van commerciële (fondswervende) activiteiten, bijvoorbeeld door middel van de verkoop van merchandise of producten aan vrijwilligers/klanten. Voor deze activiteiten geldt dat deze in beginsel niet in de weg staan van de ANBI-status. Een ANBI mag commerciële activiteiten (naast haar algemeen nuttige activiteiten) ontplooien om haar doelstelling te financieren, mits de opbrengsten daarvan binnen een redelijke termijn voor ten minste 90% ten
goede komen aan die doelstelling. Wel kan door het behalen van een positief resultaat met specifieke deze commerciële activiteiten vennootschapsbelastingplicht ontstaan en kunnen de activiteiten leiden tot btw-plicht.

3.2.1. Voedselbanken en commerciële activiteiten
Voor zover bekend verrichten voedselbanken geen commerciële activiteiten om hun algemeen nuttige activiteiten te financieren. Mocht een voedselbank daar wel toe besluiten dan hoeft dat de ANBI-status niet in de weg te staan. Daarvoor geldt de voorwaarde dat de voedselbank de inkomsten uit de commerciële activiteiten binnen een redelijke termijn voor minstens 90% besteedt aan haar doelstelling. De instelling kan wel met vennootschapsbelasting en btw te maken krijgen.

4. Bestedingscriterium nader belicht (anti-oppoteis) #

Het bestedingscriterium houdt in dat de voedselbank niet meer vermogen aanhoudt dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de organisatie. Een continuïteitsreserve van maximaal anderhalf keer het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie over de afgelopen drie jaar is volgens de Staatssecretaris van Financiën in beginsel acceptabel (Besluit ANBI 2025). Daarnaast moet de voedselbank volgens het Besluit ANBI een eventueel aangehouden bestemmingsreserve
onderbouwen met concrete, voorgenomen projecten en bedragen en moeten de werkzaamheden binnen een redelijk tijdbestek (in eerste instantie twee jaar) plaatsvinden.

4.1. Bestedingscriterium volgens de wet- en regelgeving
Het doel van het bestedingscriterium is ervoor te zorgen dat een ANBI het geld dat bestemd is voor het algemeen belang, ook daadwerkelijk binnen een redelijke termijn besteedt aan de doelstelling en dus niet onnodig oppot. Ontvangt een voedselbank bijvoorbeeld een grote donatie, dan mag de voedselbank die die niet zomaar als vermogen aanhouden. Vermogen aanhouden mag op basis van wet- en regelgeving alleen in de volgende gevallen:

  1. Vermogen dat redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene (dat wil zeggen: geplande) werkzaamheden om haar doelstelling te realiseren.
  2. Vermogen dat is verkregen via een erfenis of schenking, waarbij expliciet door de erflater of schenker de voorwaarde is gesteld dat dit vermogen (eventueel gecorrigeerd voor inflatie) in stand moet blijven (stamvermogen).
  3.  Bezittingen die de voedselbank redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoer van haar doelstelling, en vermogen dat wordt aangehouden voor de geplande aanschaf van zulke bezittingen. Denk bijvoorbeeld aan een pand dat nodig is voor de uitvoering van de activiteiten,  vrachtwagens en heftrucks. Dit punt omvat ook zaken als koel- en vriesinstallaties, magazijn- en uitgiftefaciliteiten, transportmiddelen zoals (koel)busjes, weeg- en voedselveiligheidsapparatuur, en ICT-systemen die nodig zijn voor inzameling en distributie.

De voedselbank moet in haar financiële administratie vastleggen waarvoor ze het vermogen aanhoudt en waarom het vermogen een bepaalde omvang heeft. Dit zorgt voor transparantie en maakt het voor de Belastingdienst mogelijk om te beoordelen of aan de voedselbank aan het bestedingscriterium voldoet.

4.2. Invulling bestedingscriterium door staatssecretaris
Om meer handvatten te geven voor de praktijk, heeft de staatssecretaris in het Besluit ANBI 2025 nadere invulling gegeven aan het bestedingscriterium. Dit besluit heeft niet de status van wet- en regelgeving, maar bevat beleidsstandpunten van de staatssecretaris. Enerzijds gaat het om verduidelijkingen voor de praktijk, anderzijds neemt de staatssecretaris soms een strikter standpunt in dan wat strikt genomen uit de wet- en regelgeving volgt. Het besluit vermeldt dat het in eerste instantie aan de instelling is om te bepalen hoeveel vermogen en welke
reserves zij aanhoudt, maar zij moet dit wel onderbouwen in haar financiële administratie. Daarnaast geeft het besluit een aantal handvatten. Voldoet een voedselbank aan de voorwaarden uit dit besluit, dan is de kans op discussie met de Belastingdienst vrij klein. Voldoet een voedselbank hier niet aan en wordt de voedselbank door de Belastingdienst gecontroleerd dan beoordeelt de inspecteur (van de Belastingdienst) op basis van de feiten en omstandigheden of de omvang van het aangehouden vermogen en de onderbouwing redelijk zijn. Als dat het geval is, voldoet de voedselbank aan het bestedingscriterium. Oordeelt de Belastingdienst dat de voedselbank niet aan het bestedingscriterium voldoet dan is de volgende stap om naar de rechter te stappen. Het is dan aan de rechter om aan de hand van de wet- en regelgeving te beoordelen of de voedselbank aan het bestedingscriterium voldoet. Hierna volgt een toelichting op de verschillende reserves die regelmatig voorkomen bij voedselbanken: continuïteitsreserve werkorganisatie, bestemmingsreserves, bestemmingsfondsen en vrije en overige reserves.
Daarnaast gaat deze paragraaf in op stamvermogen. Ter volledigheid merken wij op dat bij de vorming van reserves naast de ANBI-regels ook de regels van het jaarrekeningenrecht in acht moet worden genomen. In onderstaande toelichting gaan wij uitsluitend in op de ANBI-regels.

4.2.1. Continuïteitsreserve werkorganisatie
De continuïteitsreserve is bedoeld om schommelingen in inkomsten op te vangen zodat het voorbestaan van de voedselbank niet in gevaar komt. Ten aanzien van dit reserve mag de voedselbank geen rekening houden met de kosten die direct toerekenbaar zijn aan een of meerdere algemeen nuttige activiteiten van de ANBI. Deze reserve ziet dus specifiek op het draaiende houden van de werkorganisatie in het geval dat de voedselbank met alle algemeen nuttige activiteiten zou stoppen. Als richtsnoer geldt volgens het besluit maximaal anderhalf keer het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie over de afgelopen drie jaar. Het gaat om de eigen vaste lasten van de instelling, zoals huisvesting, administratie, kantoor en personeel. Lasten die de voedselbank niet zelf draagt, tellen niet mee in dit gemiddelde.
Het aanhouden van een hogere reserve is mogelijk, mits de voedselbank de noodzaak daarvan inhoudelijk en cijfermatig onderbouwt in haar financiële administratie, met concrete risico’s, scenario’s en een tijdpad voor aanwending of afbouw.

4.2.2. Bestemmingsreserves
Bestemmingsreserves worden in het ANBI-besluit aangehaald als reserves voor voorziene werkzaamheden. Het bestuur besluit over de vorming van zo’n reserve en kan de bestemming later wijzigen of de reserve laten vrijvallen als de omstandigheden veranderen. Uitgaven komen, na verwerking in de staat van baten en lasten, ten laste van de betreffende reserve.

4.2.2.1. Voorziene werkzaamheden
De term ‘voorziene werkzaamheden’ heeft twee betekenissen.

Ten eerste moet een voedselbank haar vermogensvorming onderbouwen aan de hand van concrete geplande activiteiten, inclusief planning en beoogde resultaten. Deze activiteiten moeten gericht zijn op de algemeen nuttige doelstelling. Zijn er geen concrete geplande activiteiten, dan mag de voedselbank ook geen vermogen aanhouden. Wanneer een voedselbank vermogen aanhoudt voor geplande activiteiten, moet ze dit volgens het besluit steeds motiveren door concrete projecten en bedragen in de financiële administratie te beschrijven. Ook in het beleidsplan
moet ze dit uitwerken.

Ten tweede geeft de term een tijdsaanduiding. De geplande werkzaamheden moeten binnen een redelijke termijn plaatsvinden. Als richtlijn noemt het ANBI-besluit een termijn van twee jaar. Afwijken kan, mits de voedselbank dit inhoudelijk en cijfermatig goed motiveert en dit passend is voor realiseren van dealgemeen nuttige doelstelling. Een voedselbank mag overigens ook middelen reserveren als ze de geplande werkzaamheden gedeeltelijk kan betalen uit inkomsten of rendementen die redelijkerwijs te verwachten zijn. Een reserve kan alleen gevormd
worden voor de middelen die niet uit toekomstige inkomsten en rendementen gefinancierd kunnen worden.

4.2.2.2. Beoordeling door de Belastingdienst
In de praktijk beoordeelt de Belastingdienst bestemmingsreserves kritisch op omvang, noodzaak en voortgang. Het is daarom belangrijk dat voedselbanken hun reserves goed onderbouwen. Deze beoordeling luistert extra nauw als een voedselbank beslist om bestemmingsreserve voor een langere periode dan twee jaar te vormen en/of een concrete projectplanning ontbreekt.

4.2.2.3. Voorbeelden van legitieme bestemmingsreserves
Voedselbanken mogen bijvoorbeeld reserves aanhouden voor aankoop van een pand of terrein, vervanging en onderhoud van inventaris en vervoermiddelen, uitbreiding van keuzeconcepten, specifieke klantgerichte projecten, vervanging of uitbreiding van koel- en vriescapaciteit, verduurzaming (zonnepanelen, elektrificatie) en kosten voor een verhuizing. Voor al deze voorbeelden geldt dat deze werkzaamheden of uitgaven al wel gepland ‘voorzien’ moeten zijn. Deze opsomming is niet uitputtend. Voor reserves met een meerjarenkarakter is het aan te raden om tussentijds verantwoording af te leggen in de financiële administratie over de voortgang en de onderbouwing te actualiseren.

4.2.3. Bestemmingsfondsen
Een bestemmingsfonds ontstaat wanneer de gever een specifieke bestemming heeft verbonden aan de donaties. Het verschil met een bestemmingsreserve is dat bij een bestemmingsfonds de gever de bestemming bepaalt, terwijl bij een bestemmingsreserve het bestuur van de voedselbank zelf de bestemming vaststelt. Uitgaven die binnen de bestemming vallen, komen na verwerking in de staat van baten en lasten ten laste van het fonds. Er moeten regelmatig mutaties plaatsvinden in lijn met het bestedingsdoel en binnen een redelijke termijn.
Als richtlijn geldt volgens het besluit twee jaar. Afwijken kan, mits de instelling dit inhoudelijk en cijfermatig goed motiveert en dit past binnen de algemeen nuttige doelstelling. Als de gever heeft bepaald dat het bestemmingsfonds stamvermogen vormt, geldt een afwijkende uitwerking. In dat geval wordt alleen het rendement besteed en blijft het oorspronkelijke kapitaal in stand. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar paragraaf 4.2.5. over het stamvermogen. Vervalt de bestemming van een fonds, dan wordt het resterende bedrag toegevoegd aan de overige reserves of, bij bestuursbesluit, overgeheveld naar een passende bestemmingsreserve. Dit wordt toegelicht in de jaarrekening.

4.2.3.1. Voorbeelden van bestemmingsfondsen
Een voedselbank kan bijvoorbeeld te maken krijgen met donaties die bestemd zijn voor de aankoop van een pand of terrein, vervanging of uitbreiding van transportmiddelen, introductie of uitbreiding van keuzeconcepten (waarbij de klant zoveel mogelijk zelf kan kiezen), gerichte klantprojecten (zoals hybride uitgifte, het bereiken van moeilijk vindbare doelgroepen, vrijwilligerswerving en samenwerkingen rond “geen pakket zonder traject”) en voedselverwerving. Deze opsomming is niet uitputtend; de bestemming volgt uit de voorwaarden van de gever.

4.2.3.2. Zelfde voorwaarden als voor bestemmingsreserves
Voor bestemmingsfondsen gelden dezelfde voorwaarden als voor bestemmingsreserves. De voedselbank moet haar vermogensvorming in de financiële administratie onderbouwen en in het beleidsplan uitwerken aan de hand van concrete geplande activiteiten (volgens het besluit concrete projecten), inclusief planning en beoogde resultaten. Deze activiteiten moeten gericht zijn op de algemeen nuttige doelstelling. Zijn er geen concrete plannen, dan mag de voedselbank geen vermogen aanhouden.

4.2.4. Vrije reserves en overige reserves
Vrije reserves zijn middelen zonder specifieke bestemming. Een voedselbank kan ervoor kiezen om geen of slechts beperkte vrije reserves aan te houden. Vanuit ANBI-optiek is het vooral van belang dat vrije reserves nooit leiden tot ongeoorloofd oppotten van geld.
Ook voor deze reserves moet de voedselbank voldoen aan het bestedingscriterium. Dit betekent dat de voedselbank eerst moet beoordelen of ze de reserves aanhoudt voor de continuïteit van de werkorganisatie of voor geplande werkzaamheden. Vervolgens is aansluiting vereist bij de voorwaarden die gelden voor het betreffende type reserve (zie paragraaf 4.2.1. en paragraaf 4.2.2. van dit memo). Belangrijk hierbij is dat als een voedselbank vrije reserves aanhoudt voor de continuïteit werkorganisatie én daarnaast ook een continuïteitsreserve werkorganisatie bestaat, ze deze bij elkaar moet optellen voor de beoordeling of het totaal niet meer bedraagt dan het richtsnoer 1,5 keer het gemiddelde kostenniveau, dat het besluit hanteert. Uit oogpunt van transparantie kan het de voorkeur hebben om in deze situatie de reserves samen te voegen.
Voedselbank Nederland raadt aan om geen vrije reserves aan te houden, maar alle middelen toe te wijzen aan bestemmingsreserves. Op die manier is voor elk onderdeel van het vermogen direct duidelijk waarvoor het bedoeld is en wordt voldaan aan de transparantievereisten die voor ANBI’s gelden.

4.2.5. Stamvermogen
Een voedselbank mag onder voorwaarden, stamvermogen aanhouden als vermogen dat redelijkerwijs nodig is. Stamvermogen is vermogen dat op grond van een schenking of erfenis in stand moet blijven. Als vermogen kwalificeert als ANBI-proof stamvermogen telt dit vermogen niet mee voor de beoordeling van het bestedingscriterium. Hierna gaan wij nader in op de voorwaarden en richtlijnen die bij de vorming van stamvermogen in acht moet worden genomen.

4.2.5.1. Rendement op stamvermogen
Als een voedselbank stamvermogen aanhoudt, moet het rendement daarop binnen een redelijke termijn worden besteed aan de doelstelling. Onder rendement vallen volgens het besluit niet alleen dividend, rente, huur en pacht, maar ook waardestijgingen van het vermogen.

4.2.5.2. Ongerealiseerde rendementen
Of een instelling ook ongerealiseerde waardestijgingen (bijvoorbeeld koersstijgingen van aandelen die nog niet zijn verkocht) moet besteden aan haar doelstelling, hangt af van wat de schenker of erflater heeft bepaald. Heeft de instandhoudingsverplichting betrekking op het vermogensbestanddeel zelf (bijvoorbeeld een specifiek pand of een beleggingsportefeuille), dan hoeft de instelling ongerealiseerde waardestijgingen niet te besteden. Ziet de instandhoudingsverplichting op de waarde in geld, dan moet de instelling ook ongerealiseerde waardestijgingen besteden. Voor de gevallen waarin uit de voorwaarden die de schenker of erflater stelt niet duidelijk blijkt waarop de instandhoudingsverplichting ziet, biedt het besluit het volgende als handvat: bij andere vermogensbestanddelen dan geld of effecten wordt in de regel aangenomen dat de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op het vermogensbestanddeel zelf. Dit geldt echter niet als de voedselbank het vermogensbestanddeel op enig moment heeft verkocht. In dat geval is het bestanddeel zelf immers niet in stand gehouden.

4.2.5.3. Besteding van het rendement
Het rendement op stamvermogen moet binnen een redelijke termijn worden besteed aan de algemeen nuttige doelstelling van de voedselbank, na aftrek van beheerskosten, eventuele indexering en toegestane reservevorming. Hoewel dit in de praktijk bij voedselbanken zelden voorkomt, vermelden wij voor de volledigheid dat een voedselbank ook een vast bestedingspercentage mag hanteren dat losstaat van het werkelijk behaalde rendement in een bepaald jaar. Dit percentage moet dan wel aansluiten bij het gemiddelde rendement over een langere
periode, bijvoorbeeld het gemiddelde over de afgelopen vijf jaar gecombineerd met het verwachte rendement voor de komende twee jaar. Een jaarlijkse herbeoordeling van dit percentage is vereist. In beginsel mag een instelling
hetzelfde percentage tien jaar hanteren, tenzij de herbeoordeling een afwijking van 30% of meer laat zien.

4.2.5.4. Indexering van het stamvermogen
Een instelling mag het stamvermogen jaarlijks indexeren om de waarde ervan in reële termen in stand te houden. Dit betekent dat de instelling niet het volledige rendement hoeft te besteden maar dat ze dit deels kan benutten voor de indexering van het stamvermogen. Indexering is alleen toegestaan als de schenker of erflater dit uitdrukkelijk als voorwaarde heeft gesteld. Voor de hoogte van de indexering is gebruikelijk om aan te sluiten bij de Nederlandse consumentenprijsindex. Een afwijkend inflatiecijfer is mogelijk als de voedselbank kan onderbouwen
waarom dit gerechtvaardigd is. Dit geldt niet voor zover de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op de afzonderlijke vermogensbestanddelen in plaats van op de waarde in geld. Een jaarlijkse indexering is dan volgens het ANBI-besluit niet toegestaan.

4.2.5.5. Stamvermogen van vóór 2008
Voor stamvermogen dat al bestond vóór 1 januari 2008 gelden bijzondere regels, omdat het bestedingscriterium toen nog niet in de wet stond. Als een voedselbank in die periode alleen de rendementen heeft besteed en het vermogen zelf intact heeft gelaten, is volgens het besluit geen afbouw van dit vermogen vereist. Het uitgangspunt is dan het al dan niet geïndexeerde eigen vermogen per 1 januari 2008, exclusief eventuele op dat tijdstip aanwezige bestemmingsreserves.

5. Conclusie: Oproep tot jaarlijkse controle
Gezien het belang van de ANBI-status voor de continuïteit van voedselbanken en de mogelijk ingrijpende gevolgen van intrekking, is het raadzaam voor alle voedselbanken om ten minste jaarlijks te controleren of zij aan alle ANBIvoorwaarden voldoen en dit vast te leggen. Maak van deze jaarlijkse ANBI-check een vast agendapunt in de bestuursvergadering. Dit vormt een waarborg dat de voedselbank blijft voldoen aan alle voorwaarden en de ANBI-status behouden blijft. Voor vragen in dit kader kan contact op worden genomen met Voedselbank Nederland. Zij kunnen deze vragen indien nodig doorzetten naar de externe belastingadviseur PwC.