Handboek Voedselveiligheid Versie 5.0 (mei 2025)

Handboek Voedselveiligheid
van de Vereniging van
Nederlandse Voedselbanken
Vastgesteld in de Algemene Ledenvergadering van de Vereniging op 24 mei 2025
en is van kracht vanaf 1 juli 2025
– Deze uitgave vervangt de versie van 12 februari 2022 –
Versie 5.0 mei 2025 1
2
Pag.
Inleiding 4
1. Voedselveiligheid en organisatie 5
1.1 Het bestuur
1.2 Medewerkers
1.3 Doorlevering van goederen aan niet aangesloten charitatieve
instellingen
2. Kwaliteitsbeheer 6
2.1 Ontvangst van goederen
2.2 Opslag van producten
2.3 Etikettering van producten
2.4 Etikettering bij ompakken
2.5 Toepassing Houdbaarheidsdatum: THT en TGT
3. Koelketenbewaking 9
3.1 Afwijkingen in de temperatuur
3.2 Ontvangst, transport en uitgifte
3.3 Opslag van koel- en diepvriesproducten
3.4 Producten invriezen
4. Omgaan met afwijkingen 12
4.1 Traceerbaarheid
4.2 Recall (terugroepactie)
4.3 Vastleggen van afwijkingen en formuleren van klachten
4.4 Beheersing van calamiteiten
4.5 Verwerking van ondeugdelijke producten
4.6 Afvalverwerking
5. Inrichting pand 15
5.1 Algemeen
5.2 Inrichting
5.3 Diversen
5.4 Extra eisen bij portioneren
6. Persoonlijke hygiëne 16
7. Schoonmaak 17
8. Ongedierte 18
8.1 Preventie
8.2 Bestrijding
3
9. Registraties en instructies 18
Bijlage A: Infoblad 76 NVWA 20
Bijlage B: Tabel Productgerichte Infobulletins 20
Bijlage C: Portioneren van producten 21
4
INLEIDING
Dit Handboek Voedselveiligheid geldt voor alle Voedselbanken aangesloten bij de
Vereniging van Nederlandse Voedselbanken (VBN) te Houten alsmede de Groenteen Fruitbrigade voor voedselbanken.
In dit Handboek vallen onder de term Voedselbank(en) ook de Regionale
Distributiecentra (RDC), lokale Voedselbanken, hun uitdeelpunten en de
supermarktconcepten binnen de Voedselbanken organisatie.
Het handboek beschrijft de hygiënische aspecten van alle werkzaamheden en geeft
de vrijwilligers richtlijnen voor het voedselveilig beheren en distribueren van
voedingsmiddelen.
BRONVERMELDING
Het Handboek Voedselveiligheid is gebaseerd op de richtlijnen van de CBLHygiënecode (Centraal Bureau Levensmiddelenhandel) en het Informatieblad
76/december 2015 (zie Bijlage A) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA) bestemd voor charitatieve instellingen en vrijwilligersorganisaties.
INFORMATIE
In dit handboek wordt de regelgeving over voedselveiligheid paragraafsgewijs
beschreven. Waar nodig wordt verwezen naar uitwerkingen in de bijlagen. De
regelgeving in dit Handboek (inclusief de bijlagen en daarin genoemde normen) is
bindend en tevens de leidraad voor de inspectiebureaus.
Het Handboek heeft betrekking op alle activiteiten van de Voedselbanken.
Een aantal onderwerpen wordt toegelicht in infobulletins die beschikbaar zijn op
Voedingsbodem (website voedingsbodem.voedselbankennederland.nl.) De
vereniging adviseert via deze infobulletins zoals op het gebied van thermometers,
koelboxen, allergenen en leveranciers. Daarnaast zijn er infobulletins die
productgericht zijn (zie bijlage B voor een overzicht van productgerichte infobulletins).
Infobulletins hebben geen bindend karakter.
De Voedselbank verspreidt geen alcoholische dranken, voedingssupplementen,
voeding voor medisch gebruik, producten voor gewichtsbeheersing,
maaltijdvervangers, medicijnen, tabak, drugs en slechts in beperkte mate
energiedrankjes.
Zie infobulletin “Producten die NIET door de voedselbanken worden verstrekt”.
5
Voedselveiligheid en organisatie
Het bestuur van een lokale Voedselbank is eindverantwoordelijk voor de
voedselveiligheid. Deze verantwoordelijkheid geldt vanaf het moment van ontvangst
tot aan de uitgifte van de producten aan de klant.
1.1 HET BESTUUR
Het bestuur benoemt uit zijn midden een bestuurslid dat verantwoordelijk is voor de
voedselveiligheid en kan daarnaast een aparte coördinator voedselveiligheid
benoemen. Het bestuurslid is dan verantwoordelijk voor het beleid en de coördinator
voor het bewaken van de uitvoering van de dagelijkse activiteiten.
Samen zijn ze verantwoordelijk voor:
• het bewaken van voedselveiligheid volgens de regels van dit handboek;
• het trainen en instrueren van alle medewerkers;
• het tegenhouden en laten vernietigen van producten die een risico zijn voor de
gezondheid;
• het uitvoeren van corrigerende acties;
• het aan het bestuur melden van ernstige nalatigheden die gaan over de
voedselveiligheid.
De bereikbaarheid van deze functionarissen moet goed geregeld zijn.
1.2 DE MEDEWERKERS
Elke vrijwilliger van de Voedselbank wordt geacht ten minste kennis te nemen van dit
handboek en de relevante instructies hierin te volgen. Iedere nieuwe medewerk(st)er
moet de beschikbare webtraining “Voedselveiligheid bij de Voedselbank” van
Précon/ELZI volgen of een door de Voedselbank georganiseerde
voedselveiligheidscursus. Afhankelijk van de werkzaamheden geldt dit ook voor de
webtrainingen “Plaagdierenwering en -bestrijding” en “Vertil je niet”.
(Zie infobulletin Webtraining Voedselveiligheid en infobulletin Opleidingen
Voedselveiligheid)
1.3 DE VRIJWILLIGERS DIE VERANTWOORDELIJK ZIJN VOOR DE VOEDSELVEILIGHEID
ZIJN VERPLICHT OM HUN KENNIS UP-TO-DATE TE HOUDEN.
DOORLEVERING VAN GOEDEREN AAN NIET AANGESLOTEN CHARITATIEVE
INSTELLINGEN
Voor het doorleveren van goederen onder het beheer van het RDC of de lokale
Voedselbank aan andere charitatieve instellingen gelden in principe dezelfde normen
als voor het doorgeven aan aangesloten voedselbanken.
6
Richtlijnen voor uitgifte resterende producten aanderden:
• Aantoonbare toestemming van de leverancier
De leverancier van deze goederen moet aantoonbaar verklaren in te stemmen
met het doorgeven van het door hem geschonken voedsel aan een derde partij
(overeenkomstig de hier genoemde criteria).
• Criteria voor instellingen waar voedsel aan doorgegeven wordt:
Producten mogen na toestemming van de leverancier gegeven (niet verkocht)
worden aan een charitatieve instelling die aantoonbaar de voedselveiligheid
geborgd heeft.
• Criteria voor door te geven producten:
Wanneer levensmiddelen worden geleverd aan hierboven beschreven charitatieve
instellingen dan moet met een aantal zaken rekening worden gehouden.
De levensmiddelen moeten:
– geschikt zijn voor menselijke consumptie;
– zo worden bewaard, vervoerd en afgeleverd dat de juiste voedseltemperatuur
blijft gewaarborgd;
– voorzien zijn van de oorspronkelijke, intacte verpakking met etiket. Bij nietverpakte producten moet er informatie meegeleverd worden overallergenen;
Indien van toepassing:
– voorzien zijn van het oorspronkelijke bewaar- en/of gebruiksvoorschrift;
– voorzien zijn van de oorspronkelijke Tenminste Houdbaar Tot en met (THT) of
Te Gebruiken Tot en met(TGT)-datum;
– voorzien zijn van het Voedselbank diepvriesetiket.
KWALITEITSBEHEER
De Voedselbank ontvangt producten van diverse bronnen zoals landelijke deals,
supermarkten, inzamelingen, schenkingen, producenten, etc. Het is voor de
voedselveiligheid van groot belang dat de ontvangst, opslag en uitgifte van producten
goed worden bewaakt.
2.1 ONTVANGST VAN PRODUCTEN
Organisatie:
• Benoem een vrijwilliger die de contacten met de leveranciers onderhoudt.
• Bespreek vooraf met de toeleverancier de leveringseisen van de Voedselbank:
kwaliteit, THT, bewaarcondities en onderstaande acceptatie-eisen.
• Benoem een vrijwilliger die verantwoordelijk is voor de ontvangst en acceptatie
van de producten.
Acceptatie-eisen:
• Accepteer geen producten die niet aan de kwaliteitseisen van de Voedselbank
voldoen.
• Accepteer in principe alleen voorverpakte producten in de originele verpakking
met compleet etiket. Onverpakte aardappelen, groente, fruit en noten mogenna
7
visuele beoordeling zonder etiket worden geaccepteerd.
• Controleer de volgende punten voordat de zending wordt geaccepteerd:
– Zijn de verpakkingen schoon en intact?
– Zijn de versproducten van goede kwaliteit?
– Is de THT acceptabel? (Zie Infoblad 76 NVWA)
– Is de TGT niet verlopen?
– Is de temperatuur correct?
In sommige gevallen is het mogelijk om producten te accepteren na invulling en
ondertekening door de producent van een “Leveranciersverklaring Veilig
Voedsel”.
(Zie infobulletin “Checklist aannemen voedsel” en “Model leveranciersverklaring”)
Acceptatie onder voorwaarde:
• Bij twijfel over de herkomst van producten.
• Bij producten met onvolledig of foutief etiket maar met separaat aangeleverde
productspecificaties. Levering van zulke producten uitsluitend vanuit het DC van
de producent of de supermarktorganisatie aan een (of meer) RDC’s van VBN (of
een hiervoor door VBN geautoriseerde Voedselbank). Het RDC maakt een flyer
met de juiste informatie en stuurt dit naar de afnemers (met cc aan
teamvoedselveiligheid@voedselbankennederland.nl).
• Bij zelf geproduceerde producten van professionele kleinschalige bedrijven (bijv.
een slagerij of cateraar die zelf diepgevroren soep of maaltijden heeftgemaakt).
• Bij eieren die niet vanuit de reguliere levensmiddelenhandel komen.
Niet accepteren:
• Gekoelde of diepgevroren producten van particulieren uit inzamelingen of van
supermarktacties.
• Thuisgemaakte producten van particulieren, zoals soep, baksels of jam.
• Producten in grootverpakking die zelfs voor een groot gezin niet geschikt zijn
(tomatenketchup, salades in 5 of 10 kg emmers, e.d.).
• Producten die door de Voedselbank niet geportioneerd en verpakt kunnen
worden.
(Zie bijlage C en infobulletin “Hygiënisch ompakken van producten”)
2.2 OPSLAG VAN PRODUCTEN
De volgende richtlijnen worden gehanteerd bij de opslag van producten:
• Plaats de goederen direct op de daarvoor bestemde plaats: in de koel- of
diepvriescel of in de opslag voor droge waren.
• Plaats goederen niet rechtstreeks op de vloer, maar op pallets of in stellingen.
• Sla non-food (was- en schoonmaakmiddelen, cosmetica, planten) bij voorkeur
gescheiden op in een aparte ruimte of op een aparte stelling, gescheiden van
levensmiddelen, zodat geen geuroverdracht of andere besmetting van
levensmiddelen door lekkage kan plaatsvinden.
8
NB: Ook bij transport mogen non-food artikelen niet samen met voedingsmiddelen
in een krat worden geplaatst.
• Geadviseerd wordt om goederen die voor langere tijd op voorraad staan te
registreren met THT en in volgorde van de kortste THT uit te geven.
2.3 ETIKETTERING VAN PRODUCTEN
De meeste producten die de voedselbank ontvangt, zijn voorverpakte
levensmiddelen, voorzien van een etiket met de wettelijk vereiste gegevens in de
Nederlandse taal.
Wanneer een product niet is voorzien van een compleet etiket in het Nederlands dan
moet de leverancier de gegevens verstrekken. Is dit niet mogelijk, dan moet de
coördinator voedselveiligheid beslissen of de levering mag worden geaccepteerd.
Hetzelfde geldt voor producten met een fout in de etikettering.
De gegevens die minimaal moeten worden verstrekt zijn:
• productnaam
• producent
• allergenen (indien van toepassing)
• THT/TGT-datum (bij kort houdbare en beperkt houdbare gekoelde producten door
een etiketje op de verpakking)
• bewaartemperatuur
De Voedselbank moet deze gegevens op het punt van uitdelen beschikbaar hebben
voor de klanten door middel van een zelfgemaakt etiket of op een flyer.
Is de allergeneninformatie niet aanwezig en wordt die niet verstrekt door de
leverancier dan mag de Voedselbank het product niet uitgeven. (Zie infobulletin
“Allergenen”)
Bij niet-voorverpakte producten moeten de medewerkers informatie kunnen geven als
hiernaar gevraagd wordt.
2.4 ETIKETTEREN BIJ OMPAKKEN
Als een product in grootverpakking wordt omgepakt naar kleinere eenheden moet
elke nieuwe verpakking worden voorzien van een etiket met de oorspronkelijke
etiketgegevens, behalve de THT/TGT en het gewicht die door de coördinator
voedselveiligheid opnieuw moeten worden bepaald en waarvoor de Voedselbank
daarna verantwoordelijk is.
Bij ompakken van producten als bedoeld in bijlage C1 mag de houdbaarheid die de
leverancier op de grootverpakking heeft aangebracht worden overgenomen. Dit geldt
echter niet als de grootverpakking was verpakt onder beschermende atmosfeer,
vacuüm e.d.
Bij ompakken van producten als bedoeld in bijlage C2 geldt een houdbaarheid van
2 dagen bij 7°C, maar nooit langer dan de houdbaarheid van de grootverpakking.
9
Deze etiketten kunnen soms worden vervangen door een flyer waarop alle gegevens
staan en die op het punt van uitdelen aanwezig is; (zie paragraaf 2.3 voor de
minimale gegevens).
2.5 TOEPASSING HOUDBAARHEIDSDATUM: THT ENTGT
De NVWA geeft in haar Infoblad 76 (bijlage A) aan welke ruimte charitatieve
instellingen, zoals de Voedselbank, hebben met betrekking tot de overschrijding van
de THT bij het uitdelen van producten aan de klant. Het is van belang dat deze
verlenging van de THT bij de vrijwilligers bekend is en zo nodig bij het uitdelen aan de
klant kan worden toegelicht.
Richtlijnen verlenging THT:
• De op de verpakking vermelde THT (Tenminste Houdbaar Tot en met) of TGT (Te
Gebruiken Tot en met) mag nooit worden verwijderd, onzichtbaar gemaakt, of
gewijzigd.
• Ongekoelde producten mogen, afhankelijk van de categorie waartoe ze behoren,
ook na het verlopen van de THT worden uitgereikt. De Voedselbank is
verantwoordelijk voor de handhaving van deze extra tijd conform infoblad 76.
• Gekoelde producten kunnen, mits de productkwaliteit dat toelaat, uiterlijk op THTdatum bij -18°C worden ingevroren door de producent, een winkel of door de
Voedselbank. In dat geval mag de houdbaarheid in diepgevroren toestand met
maximaal 2 maanden worden verlengd ten opzichte van de eerder aangebrachte
datum. De temperatuurdaling moet zo snel mogelijk gerealiseerd worden, bij
voorkeur door de producten los in te vriezen. Voor het invriezen moet op het
product een extra Voedselbanken etiket worden aangebracht met de tekst:
Ingevroren op THT/TGT-datum;
Nog 2 maanden houdbaar bij -18 °C;
Na ontdooien direct consumeren.
• Diepvriesproducten, geproduceerd om als diepvriesproduct op de markt te worden
gebracht, mogen uitgegeven worden tot maximaal 1 jaar na THT.
3. Koelketenbewaking
Bij gekoelde en diepvriesproducten geldt dat in verband met de voedselveiligheid het
handhaven van de temperatuur een kritisch controlepunt is. De Voedselbank is zelf
verantwoordelijk voor het borgen van deze temperatuur vanaf het moment van
ontvangst tot het moment van uitgifte aan de klant.
Dit betreft koel- en diepvriesproducten waarbij een bewaartemperatuur van
bijvoorbeeld 4°C, 7°C of -18°C op de verpakking vermeld staat. De voorgeschreven
producttemperatuur kan alleen gehandhaafd blijven als de Voedselbank in het hele
traject gebruik maakt van de juiste middelen (geconditioneerd transport, koude kluizen
en koelboxen) en werkt op een manier die het opwarmen van producten beperkt.
Infobulletin “Koelketenbewaking” gaat hier nader op in.
(Zie ook infobulletin “Koelboxen, koelelementen en werking ervan”)
10
Door middel van temperatuurmetingen moet de Voedselbank aantonen dat dit kritisch
controlepunt beheerst (‘geborgd’) is. Dit kan aangetoond worden met bijvoorbeeld een
gekalibreerde thermometer of met een temperatuurlogger. De meetresultaten moeten
worden geregistreerd zodat de effectiviteit van de maatregelen beoordeeld kan worden
en zo nodig verbeteringen kunnen worden doorgevoerd.
Het meten van de producttemperatuur vereist een goede werkwijze en goede
apparatuur. (Zie infobulletin “Thermometers, temperatuur meten, kalibreren”)
Er komen ook producten voor met de aanduiding ‘koel bewaren’ zonder verdere
temperatuuraanduiding. Dit valt niet onder het kritisch controlepunt: het is slechts een
advies van de producent aan de consument om deze producten op een koele plaats
tussen 15°C en 20°C te bewaren, bijvoorbeeld in verband met een betere smaak aan
het einde van de houdbaarheid. De temperatuur hoeft niet gemeten te worden.
3.1 AFWIJKINGEN IN DE TEMPERATUUR
Onderstaande afwijkingen in de temperatuur zijn acceptabel zonder dat de producten
vernietigd moeten worden:
Producten met 4°C : maximaal 7°C gedurende maximaal 2 uur
Producten met 7°C : maximaal 10°C gedurende maximaal 2 uur
Producten met -18°C : maximaal -15°C gedurende maximaal 2 uur
Producten met -18°C : maximaal -12°C tijdens plaatselijke distributie
gedurende maximaal 2 uur.
Deze producten moeten zo snel mogelijk teruggekoeld worden tot de juiste temperatuur.
Het terugkoelen van een grotere hoeveelheid product is een langzaam proces en kan
een aantal uren duren.
Bij afwijkende temperaturen beslist de verantwoordelijke voor voedselveiligheid
(bestuurslid of coördinator voedselveiligheid) of en hoe de temperatuur kan worden
hersteld. De afwijkingen en de corrigerende maatregelen worden schriftelijk
vastgelegd. Bij grotere afwijkingen in temperatuur worden de producten vernietigd of,
bij ontvangst, geweigerd of vernietigd.
3.2 ONTVANGST, TRANSPORT EN UITGIFTE
Bij de ontvangst van koel- en diepvriesproducten moet, als onderdeel van het kritisch
controlepunt, de temperatuur worden gemeten en geregistreerd. Dit geldt zowel bij
levering door derden (leveranciers) als bij levering binnen de eigen Voedselbankorganisatie (van Voedselbank naar uitdeelpunt).
Degene die transporteert is verantwoordelijk voor de temperatuur tijdens het
transport. De ontvangende partij is verantwoordelijk voor de temperatuurmeting bij
ontvangst/aankomst (en moet leveringen bij te grote afwijkingen weigeren).
Bij thuisbezorging van koel- en diepvriesproducten is de voedselbank
verantwoordelijk voor het afleveren op de juiste temperatuur bij de klant en dus voor
het meten en registreren hiervan.
11
(Zie infobulletin “Thuisbezorgen van gekoelde en diepgevroren producten”)
Temperatuurmetingen bij levering/verspreiding binnen de eigen lokale Voedselbankorganisatie kan achterwege worden gelaten onder strikte voorwaarden:
• Bij gebruik van koelboxen en ongekoeld transport: wanneer op basis van een
database met een systematische doormeting van dit traject aannemelijk kan
worden gemaakt dat het transport voldoende is geborgd en dat frequente
temperatuurmetingen overbodig zijn (Zie infobulletin “Koelketenbewaking”).
• Bij gebruik van geconditioneerd transport met vaste temperatuurdisplay
(temperatuur aflezen en registreren) en/of automatische temperatuurregistratie
en/of alarmmelding. Bij aflevering worden de producten direct in een koelmeubel
of vriezer geplaatst. (Zie infobulletin “Koelketenbewaking”)
3.3 OPSLAG VAN KOEL- EN DIEPVRIESPRODUCTEN
Dit betreft opslag van gekoelde en diepvriesproducten in een koel- en diepvriescel,
koel- en diepvrieskist of -kast.
De temperatuur van de diepvriesopslag staat ingesteld op -18°C of kouder. De
temperatuur van de koelopslag staat ingesteld op maximaal 4°C of 7°C (afhankelijk
van de eisen op de opgeslagen producten).
Voor een koel- of diepvriescel wordt een continumeting met een externe display sterk
geadviseerd om vast te stellen dat de apparatuur betrouwbaar werkt. Voor overige
meubels volstaat de aanwezigheid van een thermometer in het meubel. Voor alle
koel- en diepvriesmeubels geldt dat ten minste 1x per week vóór aanvang van de
werkzaamheden de temperatuur in het meubel wordt gecontroleerd en geregistreerd.
Bij afwijkende temperaturen beslist de verantwoordelijke voor de voedselveiligheid of
en hoe de temperatuur kan worden hersteld. Als een noodzakelijke corrigerende
maatregel niet mogelijk is, moeten de producten vernietigd te worden.
De afwijkingen en de corrigerende maatregelen worden schriftelijk vastgelegd.
3.4 PRODUCTEN INVRIEZEN
Om de houdbaarheid van producten te verlengen heeft de Voedselbank de
optie om producten in te vriezen (zie Bijlage A). In de praktijk zijn niet alle
producten of verpakkingen geschikt om in te vriezen. Wanneer de
producent op het etiket heeft vermeld dat het product niet geschikt is om
(opnieuw) in te vriezen dit advies opvolgen.
Ingevroren producten worden door de voedselbank in bevroren toestand
uitgegeven. Voor ingevroren brood mag een uitzondering worden gemaakt.
(Zie infobulletin “Invriezen van producten”.)
12
Producten die daarvoor geschikt zijn mogen worden ingevroren, echter onder strikte
voorwaarden:
• Invriezen zo vroeg mogelijk, doch uiterlijk op de THT- of TGT-datum, bij -18°C en
uitsluitend in de originele consumentenverpakking met compleet etiket.
• Bij het invriezen van producten in consumentenverpakking deze uit de
vervoerdozen halen en in bijvoorbeeld opengewerkte lage (CBL-)kratjes plaatsen
zodat de koude goed rondom het product kan inwerken.
• Voedselbank diepvriesetiket toevoegen met verplichte tekst:
– Ingevroren op THT/TGT-datum
– Nog 2 maanden houdbaar bij -18°C
– Na ontdooien direct consumeren
Let op: Het Voedselbank etiket niet over tekst van het product-etiket plakken!
• De ingevroren producten behandelen en vervoeren als diepvriesproducten.
De THT kan hiermee met maximaal 2 maanden worden verlengd. Voor meer
gedetailleerde uitwerking: zie infobulletin “Koelketenbewaking”.
4. OMGAAN MET AFWIJKINGEN
4.1 TRACEERBAARHEID
Traceerbaarheid is noodzakelijk om in het geval van een crisis snel de nodige acties
te kunnen ondernemen.
Richtlijnen:
• Het regionale distributiecentrum of de Voedselbank die een partij van een
leverancier heeft ontvangen, moet daarvan een registratie bijhouden.
• De regionale distributiecentra moeten registreren welke partijen doorgeleverd zijn
aan welke Voedselbank.
• Een partij bestaat uit tenminste 100 identieke consumenteenheden afkomstig uit
de levensmiddelendistributie, 100 verpakte eenheden identieke groente of fruit
van telers of producten afkomstig van de Groente en Fruitbrigade.
Dit is dus alleen van toepassing voor een RDC, sub RDC, overslagpunt of
voedselbank waar ontvangst en doorlevering van partijen plaatsvindt.
Wat moet worden geregistreerd?
• Bij ontvangst van een partij: ontvangstdatum, leverancier, product, hoeveelheid en
merk/fabrikant. Bij producten met een onvolledig of foutief etiket ook de correcte
informatie.”
• Bij levering van een partij: leveringsdatum, product, hoeveelheid, merk/fabrikant en
aan wie het is geleverd. Bij producten met een onvolledig of foutief etiket ook de
correcte informatie.”
• Een actuele lijst met contactgegevens van zowel vaste toeleveranciers als van
voedselbanken aan wie geleverd wordt moet beschikbaar zijn.
13
(Zie infobulletin “Registratie en traceerbaarheid van partijen”)
4.2 RECALL (TERUGROEPACTIE)
Een producent of leverancier die een product terugroept, zal dit ook doorgeven aan
het regionale distributiecentrum en de Voedselbanken aan wie hij het product
geleverd heeft. Daarom moet de leverancier deze leveringen administreren als
“levering” en niet als “afval/waste”.
Bij een publieke recall kan de terugroep via publicatie in de media of via de NVWA
komen. Ieder RDC, Groente- en FruitBrigade (GFB) en iedere Voedselbank moet een
abonnement hebben op de Veiligheidswaarschuwingen van de NVWA.
Als een product wordt teruggeroepen is het belangrijk dat de volgende gegevens
bekend zijn:
• merk van het product
• productnaam en inhoud
• hoeveelheid
• productiedatum en/of THT/TGT
• GTIN-code (streepjes/barcode)
• producent of importeur
• adres waar informatie kan worden opgevraagd
In het geval dat een product wordt teruggeroepen moet de bestuursverantwoordelijke
voor voedselveiligheid of vervanger direct geïnformeerd worden. Deze zorgt ervoor
dat:
• de relevante informatie (binnen 4 uur!) aan alle Voedselbanken en uitdeelpunten
aan wie het product mogelijk is geleverd, wordt verspreid met de opdracht
eventueel aanwezige voorraad te blokkeren en terug te sturen. Bij een publieke
terughaalactie moeten de klanten benaderd worden met het verzoek het product
terug te brengen of te vernietigen;
• de voorraad van het product afzonderlijk wordt opgeslagen en voorzien van een
duidelijke aanwijzing ‘Geblokkeerd voor uitgifte + naam verantwoordelijke’;
• de teruggeroepen voorraad wordt geregistreerd;
• de voorraad wordt teruggestuurd naar de leverancier of vernietigd;
• als het product is aangetroffen moet de NVWA worden geïnformeerd met
vermelding van het aantal producten en de genomen actie (met cc naar de
leverancier en team voedselveiligheid van VBN).
4.3 VASTLEGGEN VAN AFWIJKINGEN EN FORMULEREN VAN KLACHTEN
Bij het constateren van afwijkingen die de voedselveiligheid raken, is het belangrijk de
aard van de afwijking schriftelijk vast te leggen. Goed vastgelegde details inclusief
datum, leverancier en naam van de betrokken vrijwilligers kunnen voor de coördinator
voedselveiligheid en/of het verantwoordelijke bestuurslid -later- een goede
onderbouwing vormen bij het formuleren van een klacht richting de interne en externe
14
bron van het probleem. Dit is vooral van belang bij steeds terugkerende afwijkingen.
4.4 BEHEERSING VAN CALAMITEITEN
Als stoffen die een gevaar opleveren voor de gezondheid met voedsel in aanraking
zijn gekomen, zullen ter plekke de werkzaamheden moeten worden gestaakt en moet
een inventarisatie gemaakt te worden van de omvang van de calamiteit. Te denken
valt aan glasscherven, giftige stoffen, kapot gesprongen lampen, braaksel,
uitwerpselen van vogels of ongedierte, schoonmaakproducten, bloed, roet en ander
vuil etc. die in de voedselkratten zijn terechtgekomen of op andere wijze in aanraking
zijn gekomen met voedsel. De betreffende voorraad wordt direct apart gezet en
gemarkeerd met de tekst ‘Geblokkeerd voor uitgifte + naam verantwoordelijke’.
De coördinator Voedselveiligheid dient op de hoogte te worden gebracht. De
corrigerende actie moet worden geregistreerd.
4.5 VERWERKING VAN ONDEUGDELIJKE PRODUCTEN
Onder ‘ondeugdelijke producten’ worden o.a. verstaan:
• producten die de TGT overschrijden;
• producten die de THT volgens Infoblad 76 (zie bijlage A) overschrijden;
• producten waarvan de temperatuur is overschreden;
• producten in kapotte verpakking;
• beschimmelde, rottende of aangevreten producten;
• producten waar gebroken glas in terecht gekomen is of kan zijn;
• producten aangetast door brand, rook e.d.;
• diepvriesproducten aangetast door vriesbrand.
Partijen met ondeugdelijke producten moeten:
• administratief worden geregistreerd ;
• voorzien worden van een sticker met een duidelijke tekst (‘Geblokkeerd voor
uitgifte + naam verantwoordelijke’);
• direct gescheiden worden van de overige producten en apart opgeslagen:
– plantaardige producten zonder verpakking in een container;
– dierlijke producten in een gemerkte container in de diepvries.
(Zie infobulletin “Recall”)
4.6 AFVALVERWERKING
Karton, plastic en restafval worden, waar mogelijk, gescheiden verzameld en
wekelijks afgevoerd.
Ondeugdelijke producten en partijen moeten zo snel mogelijk als afval worden
aangeboden aan een professioneel bedrijf dat gespecialiseerd is in het afvoeren en
vernietigen van voedsel en dat kan voorkomen dat de producten in verkeerde handen
komen en zo alsnog op de markt worden aangeboden.
15
Betreft het producten van dierlijk oorsprong of waarin ook ingrediënten van dierlijke
grondstoffen aanwezig zijn (zoals dierlijke eiwitten, gelatine, melk, oliën, vetten) dan
moeten deze producten gescheiden worden opgeslagen in lekvrije bakken, die
afgesloten kunnen worden of dichtgebonden plastic zakken en als zodanig gemerkt
worden (categorie 3 of cat. 3 of op een andere herkenbare manier). Deze producten
moeten aangeboden worden aan een bedrijf dat een erkenning heeft om categorie 3
materiaal te mogen vervoeren en verwerken. Tot het moment van ophalen moeten
deze producten bewaard worden bij een temperatuur van ten hoogste 10 °C. (Bij
voorkeur in de vriezer)
De administratie van het opgehaalde categorie-3 materiaal (zoals afschrift/bewijs van
ophalen) moet tenminste 2 jaar door de Voedselbank bewaard worden.
Wanneer per week niet meer dan 20 kg categorie-3 materiaal vrijkomt, mag dit als
‘gewoon’ restafval verwerkt worden.
INRICHTING PAND
5.1 Algemeen
De werkruimten, de inrichting, de schoonmaak en het onderhoud zijn afgestemd op
de werkzaamheden die er met levensmiddelen plaatsvinden zodanig dat de
voedselveiligheid niet in gevaar kan komen.
Alle werk- en verblijfsruimten evenals de directe eigen omgeving zijn schoon,
overzichtelijk en veilig.
Alle ruimtes hebben voldoende dag- of kunstlicht en worden voldoende geventileerd.
De vloeren, wanden en deuren zijn in deugdelijke staat, vlak afgewerkt en goed
schoon te houden.
Er zijn voldoende toiletten en wasbakken met zeep en papieren handdoeken. Bij de
wasbakken is een instructie voor handenwassen aanwezig.
Toiletten mogen niet rechtstreeks uitkomen in ruimten waar ook met voedsel wordt
omgegaan. Als dit om bouwkundige redenen niet mogelijk is dan dient de afstand
tussen toilet en producten zodanig te zijn dat er geen voedselveiligheidsrisico is.
Er is wering van ongedierte: buitendeuren sluiten goed en voor geopende ramen zijn
horren geplaatst.
5.2 Inrichting
Stellingen en kasten zijn zo geplaatst dat de vloer er onder en de wand er achter
goed schoongemaakt kunnen worden. Als dit niet mogelijk is worden stellingen en
kasten tegen de wand geplaatst zodat deze daar nagenoeg één geheel mee vormen.
Maak een aparte ruimte of plek waar schadelijke stoffen (o.a. schoonmaakmiddelen)
worden opgeslagen zodanig dat geen contact met levensmiddelen mogelijk is.
Werkoppervlakken zijn van glad, roestbestendig en niet-giftig materiaal.
16
Ventilatiesystemen zijn goed bereikbaar zodat roosters, filters en andere onderdelen
kunnen worden schoongemaakt of vervangen.
Voorkom de vorming van schimmel en condens.
Zorg dat vuil zich niet in rommelhoeken kan ophopen.
5.3 Diversen
Winkelwagens, kratten en mandjes zijn in goede staat, schoon en vrij van
productresten.
Huisdieren mogen niet aanwezig zijn.
Hulphonden mogen worden toegelaten tot het punt van uitdeling.
(Zie ook infobulletin “Inrichting Voedselbank”)
5.4EXTRA EISEN BIJ PORTIONEREN
Onder portioneren wordt verstaan het verdelen van grootverpakkingen in kleinere
eenheden. Hierbij wordt de oorspronkelijke verpakking geopend waardoor onder
andere de vermelde THT of TGT, allergenendeclaratie en de aansprakelijkheid van
de producent komt te vervallen. (Zie ook 2.3 en 2.4 voor etiketteringseisen.)
Het portioneren van bederfelijke producten (meestal gekoelde of vloeibare producten)
is niet toegestaan in verband met de vele risico’s die dit met zich meebrengt. Het
portioneren van dergelijke producten vereist een ruimte met hygiënische
inrichtingseisen en goed opgeleide medewerkers. VBN kan schriftelijk ontheffing
geven van het verbod om zulke producten te portioneren. Deze ontheffing zal worden
gebaseerd op de inrichting van de werkruimte en de opleiding van de
medewerk(st)ers. (Zie bijlage C.)
Het portioneren van producten die weinig gevoelig zijn voor bederf, zoals droge of
bevroren producten, vereist minder vergaande inrichtingseisen. (Zie bijlage C.)
Wees erop bedacht dat bij ompakken de allergenen die in producten aanwezig zijn
door middel van kruisbesmetting over kunnen gaan op andere producten.
Apparatuur en werkmaterialen/-ruimte moet na het verwerken van een product met
een bekend allergeen (in ieder geval de 14 wettelijke) worden gereinigd en
gecontroleerd. Dit betreft in ieder geval een visuele controle op achtergebleven
product.
(Zie infobulletin “Allergenen”)
Voor alle omgepakte producten geldt: deze moeten worden voorzien van een etiket
met de vereiste gegevens.
(Zie paragraaf 2.3 en 2.4 en infobulletin “Hygiënisch ompakken van producten”)
PERSOONLIJKE HYGIËNE
Persoonlijke hygiëne wordt gezien als een belangrijke basisvoorwaarde
voor het hygiënisch behandelen van levensmiddelen door de
Voedselbank.
17
Alle medewerkers:
• zijn schoon en verzorgd;
• hebben schone, doelmatige en goed wasbare kleding aan;
• hebben schone, verzorgde en bij voorkeur korte haren (geldt ook voor
een baard); lange haren worden samengebonden;
• wassen hun handen regelmatig, maar in ieder geval:
– bij aanvang van het werk;
– na toiletbezoek;
– na niezen, hoesten en neus snuiten;
– na het weggooien van afval;
– bij het wisselen van werkzaamheden;
• gebruiken papieren handdoeken (dus geen textielhanddoeken) wanneer
zij tussentijds de handen afvegen;
• eten en drinken alleen in een daarvoor bestemde ruimte;
• melden bij hun coördinator voedselveiligheid als zij diarree of andere
maag-/darmaandoeningen, ontstekingen, open wonden of
huidziekten aan hoofd, hals en/of armen hebben; zij mogen zich in
die gevallen niet bezighouden met het hanteren van eet- of
drinkwaren en grondstoffen.
SCHOONMAAK
Ruimtes en materialen voor opslag en transport van
levensmiddelen moeten goed onderhouden en schoon zijn.
Werk met een schoonmaakplan: een schoonmaakregime met een vaste
werkwijze en een vast tijdschema voor schoonmaken en desinfectie (wat,
hoe en wanneer). Bij elke Voedselbank moet een schoonmaakplan
aanwezig zijn met daarbij behorende schoonmaakinstructies, frequenties
en schriftelijke registraties.
(Zie “Model document reinigingsschema”)
Schoon te maken onderdelen die in het schoonmaakplan moeten zijn opgenomen:
1. het pand:
– benoem alle afzonderlijke ruimtes apart, zoals bijvoorbeeld
koel- en vriescellen, opslagloodsen, werkruimten, toiletten en
beschrijf per ruimte de schoonmaak- en (indien nodig)
desinfecteerprocedure
– buitenruimte rond het pand
– de ruimte voor het ompakken/portioneren van niet-verpakte
producten heeft een eigen, specifieke schoonmaak- en
desinfecteerprocedure
2. verdamper van koelunits in vrachtauto’s en koel-/vriescellen
3. vrachtauto’s
4. kratten en koelboxen
18
5. werktafels
6. gereedschappen en materialen in direct contact met levensmiddelen.
ONGEDIERTE
Ongedierte vormt een gevaar voor de veiligheid van levensmiddelen. Het bestuur van
de Voedselbank, RDC of GFB blijft altijd zelf verantwoordelijk voor de adequate
wering en bestrijding van ongedierte. Bij iedere locatie is duidelijk wie
verantwoordelijk is voor het programma van ongediertebeheersing. Dit geldt ook als
een professioneel bedrijf is ingeschakeld.
Voor RDC’s geldt een verplichting om een contract af te sluiten met een
ongediertebestrijder die lid is van de branchevereniging Nederlandse Vereniging van
Plaagdiermanagement Bedrijven (NVPB). Voor voorraadhoudende Voedselbanken is
dit een aanbeveling en voor uitdeelpunten geldt deze verplichting niet.
De beheersing van ongedierte beperkt zich niet tot het voedselbankpand. Ook op het
eigen terrein of in de directe omgeving van het voedselbankpand moet ongedierte
worden beheerst.
Iedere vrijwilliger/medewerker van de Voedselbank die ongedierte of sporen -zoals
keutels en aangevreten voedsel- van ongedierte ziet, moet de verantwoordelijk
persoon waarschuwen. De verantwoordelijk persoon neemt hierop direct actie door
de situatie te beoordelen en een ongediertebestrijdingsplan op te stellen bij
voortduring of verergering van de situatie (1 of meer meldingen per week). Er moet
een registratie bijgehouden worden van de genomen maatregelen.
8.1 Preventie
Voorkom dat het voedselbankpand en het eigen terrein aantrekkelijk wordt, en
makkelijk toegankelijk is, voor ongedierte.
Dit doe je door:
• Hygiënisch te werken
• Maatregelen te nemen, die ongedierte weghouden
• Een degelijke inrichting en onderhoud van gebouwen en terrein
• Regelmatige controle op aanwezigheid van (sporen van) ongedierte
8.2 Bestrijding
Ongedierte moet op een professionele wijze worden bestreden. Als gebruik wordt
gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen, moet dit altijd door een professionele
ongediertebestrijder worden gedaan. De voedselbank mag bij incidentele gevallen
zelf eenvoudige maatregelen treffen om het probleem op te lossen.
Zie infobulletin “Ongediertebestrijding”.
REGISTRATIES EN INSTRUCTIES
De handhaving van de voedselveiligheid moet aantoonbaar zijn voor
intern gebruik en toezicht alsmede tijdens een externe inspectie door de
NVWA of certificerende instelling.
19
Daartoe moeten minimaal de volgende zaken schriftelijk zijn vastgelegd
(geregistreerd):
• contactgegevens van verantwoordelijke bestuursleden en vrijwilligers;
• overzicht van leveranciers (producten en diensten) en
afnemers (voor RDC) met contactgegevens;
• ontvangen en geleverde partijen (zie 4.1);
• overzicht van gehouden voedselveiligheidscursussen (datum en deelnemers);
• temperaturen op verschillende momenten en plaatsen (zie hoofdstuk 3);
• schoonmaakactiviteiten (zie hoofdstuk 7);
• recalls/terugroepacties (zie 4.2);
• corrigerende maatregelen;
• ontvangen klachten (zie 4.3).
• eens per kwartaal moet in een zelfcontrole worden vastgelegd welke afwijkingen
dat kwartaal hebben plaatsgevonden en welke corrigerende maatregelen daar op
zijn genomen. Deze rapportages worden binnen 14 dagen na het einde van ieder
kwartaal gestuurd naar VBN teamvoedselveiligheid@voedselbankennederland.nl
Geadviseerd wordt om hiervoor gebruik te maken van de digitale vragenlijst die
VBN ieder kwartaal verstuurt naar de coördinatoren Voedselveiligheid van de
Voedselbanken en RDC’s.
De registraties moeten 1 jaar bewaard worden op een centrale plaats, die
toegankelijk is als er een inspectie is of als zich een incident voordoet.
Op de website (Voedingsbodem) worden voorbeelden van registraties
en werkinstructies gegeven.
(Zie “Model documenten” bij voedselveiligheid)
20
BIJLAGEN
BIJLAGE A NVWA INFOBLAD 76 (versie 2025)
Het actuele Infoblad 76 van de NVWA ten behoeve van charitatieve instellingen en
organisaties is te downloaden van de website van de NVWA, dan wel van de website
van Voedselbanken Nederland.
BIJLAGE B PRODUCTGERICHTE INFOBULLETINS
ONDERWERP Titel Infobulletin Norm
PRODUCT
GERICHT
Infoblad 76 NVWA
(bijlage A)
Infoblad 76 NVWA is leidend!
Groente HAK allergenen- en
productinformatie
Brood productinformatie:
Brood
Allergenen in de samenstelling moeten
bekend zijn.
Bij beschimmeling brood en banket
weggooien
Diverse producten Invriezen van
producten
Verse mosselen, Filet Americain en sushi
mogen niet worden ingevroren
Eieren Eieren Bij levering van eieren door een
pluimveehouder moet de voedselbank
informatie hebben over de legdatum en
residuen. Eieren moeten een THT datum
hebben van 28 dagen na de legdatum.
Frisdranken en
vruchtensappen
Houdbaarheid van
Frisdrank en
vruchtensappen
Kazen (harde en
zachte kazen, verse
kaas, smeerkaas)
Kaas
Fruit Schimmels op fruit Als meer dan 25% is beschimmeld niet
meer uitdelen
Rookworst Rookworsten Niet uitgeven na THT/TGT (tenzij uiterlijk
op datum ingevroren)
Vis en schaaldieren Verse vis Verse mosselen mogen niet worden
ingevroren. Als dit toch is gebeurd: niet
uitdelen.
Vlees Houdbaarheid
ingevroren vlees
Vlees Doneren van vlees
aan de Voedselbank
Vlees moet afkomstig zijn van een EU
erkende slachterij of professionele slager
Zuigelingen- en
babyvoeding
Zuigelingen- en
babyvoeding
Nutricia producten mogen van de fabrikant
niet na THT worden uitgegeven
21
BIJLAGE C PORTIONEREN VAN PRODUCTEN
Het zelf ompakken of portioneren van producten (uitgezonderd onverpakte groente
en fruit) door Voedselbanken wordt afgeraden vanwege de voedselveiligheidsrisico’s
(microbiologisch en allergenenoverdracht)
Uitgangspunt voor een voedselbank moet zijn dat het de voorkeur verdient met de
leverancier af te spreken dat de producten zoveel mogelijk geleverd worden in
portiegroottes afgestemd op de verdeling naar de doelgroep zonder de noodzaak van
verdere bewerking door de voedselbank. Leveranciers beschikken zelf meestal over
betere faciliteiten om het portioneren op een goede manier te doen dan een
voedselbank (bezien kan worden of een plaatselijke bakker, slager e.d. hierbij kan
helpen). Kan of wil de leverancier daaraan niet voldoen, dan moet het bestuur (of de
coördinator voedselveiligheid) van de voedselbank goed kijken naar het beheersen
van de risico’s en in samenhang daarmee naar de eigen mogelijkheden en ervaring in
het team.
Weigeren van producten om voedselveiligheidsredenen is pijnlijk maar kan de enige
juiste oplossing zijn.
Als men voor bepaalde producten overgaat tot ompakken of portioneren vraagt dit
bijzondere aandacht voor een schone verwerkingsruimte en hygiënische wijze van
werken.
Het is belangrijk om van tevoren te bepalen in welke groep een te portioneren
voedingsmiddel valt:
• producten die nooit door een voedselbank geportioneerd mogen worden: zoals
bijvoorbeeld melkproducten, soepen, maaltijden, schelpdieren, vis, vlees, kip,
salades, zachte kazen;
• producten die geportioneerd mogen worden, wanneer een geschikte ruimte
beschikbaar is (bij voorbeeld, gekookte vleeswaren, harde kaas en gewassen en
gesneden groente en fruit); zie C2 voor de eisen aan zo’n ruimte.
• producten die netjes verwerkt moeten worden in een schone ruimte(zoals
bijvoorbeeld diepvriesproducten, brood, snoepgoed en rijst); zie C1 voor de eisen
aan de werkruimte.
• onverpakte groente en fruit kunnen omgepakt worden.
AANVULLENDE EISEN BIJ PORTIONEREN
ETIKETTERING
Voor alle omgepakte producten geldt: deze moeten worden voorzien van een etiket of
flyer met de vereiste gegevens. Zie paragraaf 2.3 en 2.4.
WERKINSTRUCTIE
De coördinator voedselveiligheid moet toestemming geven voor de werkwijze,
middels formele ondertekening van de werkinstructie. Deze werkinstructie moet bij de
voedselbank aanwezig zijn.
Voor een detailbeschrijving van de voorkeurswerkwijze hygiënisch portioneren:
(Zie infobulletin “Hygiënisch ompakken van producten”)
22
VRIJWILLIGERS
• De vrijwilligers die het portioneren uitvoeren zullen daarvoor geselecteerd en
opgeleid moeten worden. De geselecteerde medewerkers moeten deze instructies
kennen voordat men gaat ompakken/portioneren.
• Tijdens de werkzaamheden mogen anderen de ruimte waar het portioneren
plaatsvindt niet binnenkomen
• Speciale aandacht is vereist met betrekking tot hoofdstuk 6 van dit Handboek ter
voorkoming van de besmetting van voedsel door gebrekkige persoonlijke hygiëne
van de vrijwilligers.
C1. DE VERWERKINGSRUIMTE VOOR PORTIONEREN
VAN DROGE PRODUCTEN OF DIEPVRIESPRODUCTEN
Hiervoor is een aparte goed schoon te houden ruimte nodig. Ompakken gebeurt op
schone, bij voorkeur roestvrijstalen tafels. Vrijwilligers dragen schorten,
haarbedekking en zo nodig handschoenen.
GEBOUW
• Deuren van deze verwerkingsruimte zijn tijdens de werkzaamheden zoveel
mogelijk gesloten.
• Ramen en andere openingen in muren en wanden zijn tijdens de werkzaamheden
gesloten.
• Vloeren zijn goed schoon te maken
Werkoppervlakten, materialen en gereedschappen die met levensmiddelen in
aanraking kunnen komen:
• moeten voor gebruik worden schoongemaakt;
• zijn eenvoudig schoon te maken en waar nodig te desinfecteren;
• zijn gemaakt van glad, roestbestendig en niet-giftig materiaal;
• zijn zo geplaatst dat de vloer en ruimte rond het apparaat goed schoon te maken
is.
SCHOONMAAKPLAN
De bereidruimte voor het ompakken/portioneren van niet-verpakte producten heeft
een specifieke schoonmaak- en desinfectieprocedure.
23
C2. DE VERWERKINGSRUIMTE VOOR GEKOELDE PRODUCTEN
Hiervoor is een afgescheiden, geconditioneerde ruimte nodig voorzien van gladde
(tegel)wand en plafond, gladde vloer met waterafvoer. De ruimte dient vrij te zijn van
ongedierte (vliegen etc.). Ompakken gebeurt in gekoelde atmosfeer op roestvrijstalen
tafels. Vrijwilligers dragen schone schorten of jassen, haarbedekking en
handschoenen. Er dient een werkinstructie en schoonmaakinstructie aanwezig te zijn
die is afgestemd op ompakken van gekoelde producten.
GEBOUW
• Deuren van de bereidingsruimte zijn zelfsluitend of worden direct gesloten.
• Deuren van deze bereidingsruimte zijn tijdens de werkzaamheden zoveel mogelijk
gesloten.
• Ramen en andere openingen in muren en wanden zijn tijdens de werkzaamheden
gesloten.
• Vloeren zijn waar het kan voorzien van goede waterafvoer via het vloeroppervlak.
Ruimte: Bij de wasbakken is er naast handzeep ook een wettelijk toegestaan handdesinfectiemiddel aanwezig.
Werkoppervlakten, materialen en gereedschappen die met levensmiddelen in
aanraking kunnen komen:
• moeten voor gebruik worden schoongemaakt;
• zijn eenvoudig schoon te maken en waar nodig te desinfecteren;
• zijn gemaakt van glad, roestbestendig en niet-giftig materiaal;
• zijn zo geplaatst dat de vloer en ruimte rond het apparaat goed schoon te maken
is.
SCHOONMAAKPLAN
De ruimte voor het ompakken/portioneren van niet-verpakte producten heeft een
specifieke schoonmaak- en desinfectieprocedure. In het schoonmaakplan moet het te
gebruiken desinfectiemiddel inclusief het toelatingsnummer beschreven zijn.