Het betrekken van vermogen in de armoedebepaling

Het betrekken van
vermogen in
de armoedebepaling
Toelichting en onderbouwing
CBS Publicatie
Publicatiedatum 17-10-2024 00:00
Het betrekken van vermogen in de armoedebepaling
Toelichting en onderbouwing
Over deze publicatie
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
(Nibud) hebben samen een nieuwe armoedemethode ontwikkeld (zie CBS, Nibud en SCP, 2024). In de nieuwe armoedemethode telt
iemand als arm indien zowel het inkomen als het vermogen onder de armoedegrens liggen. Deze bijlage gaat uitgebreider in op de
keuzes die gemaakt zijn rondom vermogen.
CBS Publicatie
Publicatiedatum 17-10-2024 00:00
Het betrekken van vermogen in de armoedebepaling
1. Vermogen in armoedemethode
Een groot vermogen verkleint de kans op armoede, onder meer vanwege het inkomen uit dit vermogen dat onderdeel is van het
besteedbaar inkomen. Een logisch gevolg is daarom dat bij de bepaling van de beschikbare financiële middelen ook rekening kan worden
gehouden met het vrij opneembare vermogen, zoals contant geld, spaarrekeningen, obligaties en aandelen. Vermogen is echter een
voorraadvariabele (het wordt op een specifiek moment gemeten), terwijl inkomen een stroomvariabele is (het wordt over een specifieke
periode gemeten). Daarom is het geen eenvoudige afweging of en op welke wijze het vrij opneembare vermogen wordt meegenomen
in een armoedemeting.
Een keuze kan zijn om het vermogen buiten beschouwing te laten, behalve waar het gaat om het inkomen uit vermogen. Dit heeft als
voordeel dat de stroomvariabele inkomen niet hoeft te worden gecombineerd met de voorraadvariabele vermogen. Het nadeel is dat in
voorkomende gevallen mensen als arm worden aangemerkt, terwijl zij op basis van hun vermogen niet in armoede leven. Dit kan de
geloofwaardigheid van de armoedemaatstaf en -cijfers ondermijnen. In de nieuwe armoedemethode wordt vermogen daarom
meegenomen.
1.1 Vermogensgrens
Bij de armoedemeting kan het vrij besteedbare vermogen op verschillende manieren worden meegenomen. Het vermogen kan
bijvoorbeeld worden vertaald in een annuïteit en de waarde hiervan wordt dan opgeteld bij het besteedbaar inkomen (Citro en Michael,
1995). Deze annuïteitenmethode heeft als voordeel dat rekening wordt gehouden met het inkomenstekort ten opzichte van de
armoedegrens, en dat variatie in het vrij besteedbare vermogen niet wordt gereduceerd tot de indicatie of dit vermogen onder een
vermogensgrens is. De annuïteitenmethode heeft als nadeel dat het voor sommigen (zoals arme jongeren) een minder realistisch beeld
geeft, omdat het onwaarschijnlijk is dat het vermogen door hen geheel wordt gespreid over hun nog lange verwachte resterende leven.
Een ander nadeel is dat de hoogte van de annuïteit niet eenvoudig is te bepalen omdat deze afhangt van iemands resterende
levensverwachting en verwachte (reële) rendement.
Er is gekozen voor de veelgebruikte pragmatische methode waarbij vermogen wordt vergeleken met een vermogensgrens (zie bijv. Tabel
1 in Kuypers & Marx 2021). Iemand wordt als niet-arm aangemerkt als het huishouden een vrij besteedbaar vermogen heeft dat boven
deze grens ligt, ongeacht het inkomen. Voordelen van deze methode zijn dat het inkomensbegrip niet hoeft te worden aangepast en
minder aannames nodig zijn dan bij de annuïteitenmethode. Het heeft als nadeel dat de hoogte van de vermogensgrens een enigszins
willekeurige keuze is. Een ander nadeel is dat de hoogte van inkomenstekorten er niet toe doen, terwijl personen met een klein
inkomenstekort ook met weinig vermogen lange tijd in hun behoeften kunnen voorzien. Het hanteren van één uniforme vermogensgrens
negeert dit. Laatstgenoemde nadelen van het hanteren van een vermogensgrens zijn minder zwaar gewogen dan de genoemde
voordelen.
Er zijn conceptuele verbanden tussen inkomensarmoede en vermogensarmoede. Vermogen wordt op huishoudensniveau gemeten,
waardoor de vermogensarmoedestatus van een persoon – net als de inkomensarmoedestatus – is gebaseerd op het huishouden waartoe
deze persoon op 1 januari behoorde. De vermogensarmoedegrens is – net als de inkomensarmoedegrens – hoger voor grotere
huishoudens.
1.2 Inkomen uit vermogen
Er is enige afhankelijkheid tussen inkomens- en vermogensarmoede, omdat zoals gebruikelijk inkomen uit vermogen onderdeel is van
het besteedbaar inkomen. Meer vermogen verkleint de kans op inkomensarmoede (via ‘inkomen uit vermogen’) en vermogensarmoede.
Andersom kan een daling van vermogen (bijvoorbeeld door opsouperen van vermogen) ertoe leiden dat iemand onder de
inkomensgrens komt.
1.3 Vermogenscomponenten
Vermogen bestaat uit verschillende vermogenscomponenten. De gehanteerde indeling van vermogen naar vermogenscomponenten is te
vinden in CBS (2024a) . Een aandachtspunt daarbij is dat belastingaangifte in box 3 kan ontbreken als het box 3-vermogen lager is dan
het heffingsvrije vermogen . Bij een ontbrekende box 3-aangifte bepaalt het CBS het vermogen op basis van rente-, dividend- en
leengegevens die financiële instellingen verstrekken aan de Belastingdienst . Voor enkele vermogenscomponenten, zoals overig
onroerend goed en overige bezittingen, zijn geen alternatieve bronnen beschikbaar. Het geregistreerde vermogen is dus mogelijk
incompleet voor personen met vermogen onder het heffingsvrije vermogen (die bijvoorbeeld voor alleenstaanden circa driemaal groter
is dan de vermogensgrens voor armoede) .
1)
2)
3)
4)
1. Ondernemingsvermogen en aanmerkelijk belang. Bijvoorbeeld worden hierdoor zelfstandigen met een jaarverlies maar veel
vermogen in hun onderneming als niet-arm gekwalificeerd. Een pensioenvoorziening kan onderdeel zijn van het
ondernemingsvermogen , want een eventuele pensioenvoorziening is niet identificeerbaar in de beschikbare gegevens . Dit
pensioenvermogen is normaliter bedoeld als aanvullende uitkering naast de AOW, en niet om armoede na AOW-datum tegen te
gaan. Deze pensioenvoorziening van zelfstandigen is – in tegenstelling tot pensioenopbouw in tweede en derde pijler – vrijelijk
beschikbaar, en kan daarom direct ingezet worden om armoede tegen te gaan.
2. Overig onroerend goed, zoals een tweede woning. Dit vermogen kan liquide gemaakt worden zonder dat een huishouden dakloos
wordt.
1. Eigenwoningbezit waaronder eventuele overwaarde . Ook de eventuele overwaarde is niet eenvoudig te gelde te maken met een
inkomen onder de (inkomens)armoedegrens, vanwege leennormen en omdat een hypotheek voor consumptieve doeleinden niet
in aanmerking komt voor hypotheekrenteaftrek.
2. Pensioenvermogen (in de tweede en derde pijler). Dit pensioenvermogen is geen onderdeel van de betaalreserve, want het is niet
vrijelijk beschikbaar en overdraagbaar. Ook in de reguliere CBS-statistieken telt dit niet mee als vermogen .
3. Alle drie schuldtypen die het CBS registreert:
a. Hypotheekschuld: Omdat eigenwoningbezit buiten beschouwing blijft, geldt
hetzelfde voor de hypotheekschuld.
b. Studieschuld: In de aflossingsvoorwaarden wordt rekening gehouden met een
draagkrachtbeginsel waardoor er op minimumniveau in beginsel geen sprake is
van terugbetaling.
c. Overige schulden: De beschikbaarheid van overige schulden is te beperkt om
een goed beeld te krijgen. Dit kunnen bijvoorbeeld omvangrijke schulden van
zelfstandigen en directeur-grootaandeelhouders zijn. Niet altijd is voldoende
duidelijk in hoeverre deze schulden voortkomen uit fiscale voordelen of gunstige
groeivooruitzichten representeren. Overigens kunnen ook de geregistreerde
bezittingen incompleet zijn.
Bij het vermogen van een huishouden wordt hier uitgegaan van de zogenoemde ‘betaalreserve’ . De betaalreserve is de waarde van alle
bezittingen exclusief woningwaarde, negatief gewaardeerde vermogensbestanddelen en pensioenvermogen. Onderdeel van de
betaalreserve zijn dus onder andere:
5)
6)
7) 8)
Geen onderdeel van de betaalreserve:
9)
10)
11)
12)
Het CBS registreert of een huishouden een problematische schuld heeft bij instanties zoals het BKR of de Belastingdienst . De gegevens
over problematische schulden zijn echter (nog) niet volledig beschikbaar en de afbakening varieerde in de afgelopen jaren. In de
toekomst is te overwegen om iemand met problematische schulden aan te duiden als vermogensarm, ongeacht de omvang van de
betaalreserve.
13)
Zie ook https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/26/vermogensverschil-tussen-huishoudens-kleiner-bij-meetellenpensioenopbouw/vermogen.
In 2024 is het heffingsvrije vermogen 57.000 euro en 114.000 euro met een fiscale partner.
https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/box-3/content/heffingsvrij-vermogen Een substantieel deel van de huishoudens
bezit minder vermogen dan het heffingsvrije vermogen: CBS (2024a).
Par 3.4 in https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2021/aanvullende-onderzoeksbeschrijving-vermogensstatistiek-vanhuishoudens–vanaf-2006–/3-onderzoeksopzet.
Uiteraard kan iedere box 3-aangifte ook incompleet zijn vanwege andere redenen.
https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2023/aantallen-en-kenmerken-van-verenigingen-vaneigenaren-2022/begrippen.
Indien de waardering van de vermogenscomponent positief is.
In het verleden waren hier fiscale voorzieningen voor, zoals pensioen in eigen beheer (tot 1 juli 2017) en de fiscale oudedagsreserve
(tot 1 januari 2023). De waarde van deze pensioenvoorzieningen kan nog in enige vorm op de balans staan en is dan onderdeel van het
ondernemingsvermogen.
Wel is bekend hoeveel een zelfstandige (zmp’er en zzp’er) in een bepaald jaar fiscaal heeft afgetrokken aan
arbeidsongeschiktheidspremies (aov) en pensioenpremies (lijfrente, zgn. derde pijler), zie CBS (2024a; par. 6.2). Het CBS beschikt echter
niet over gegevens over de opgebouwde pensioenaanspraken in de derde pijler. Deze zouden bijv. bij arbeidsongeschiktheid eerder
kunnen worden ingezet om armoede te voorkomen. Overigens zijn de premies voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen evenmin
meegenomen in de armoedebepaling.
Eigenwoningbezit kan wel effect hebben op inkomensarmoede, want de toegerekende netto huurwaarde van een eigen woning telt
mee als inkomen uit vermogen.
Lopende pensioenuitkeringen die met dit pensioenvermogen worden gefinancierd kunnen uiteraard wel effect hebben op
inkomensarmoede.
De drie schuldtypen kunnen wel effect hebben op inkomensarmoede, want rente op deze schulden verlaagt het besteedbaar inkomen.
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84493NED/table?dl=ACB99.
Overige schulden zijn schulden voor consumptieve doeleinden, de financiering van aandelen, obligaties of rechten op periodieke
uitkeringen en de financiering van schulden voor de tweede woning of ander onroerend goed, negatief saldo op een bankrekening,
zorgschulden, belasting- en toeslagschulden.
https://dashboards.cbs.nl/v5/SchuldenproblematiekInBeeld/.
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
8)
9)
10)
11)
12)
13)
CBS Publicatie
Publicatiedatum 17-10-2024 00:00
Het betrekken van vermogen in de armoedebepaling
2. Hoogte vermogensgrens
Rond de armoedegrens en minimumvoorbeeldbegrotingen (MVB) wordt een aantal gerelateerde concepten gehanteerd:
– Reserveringsuitgaven in MVB
Primair bedoeld om onvoorziene uitgaven te betalen.(stroomvariabele)
– BufferBerekenaar van Nibud
Een financiële buffer opgebouwd uit reserveringsuitgaven om onverwachte, grotere
en noodzakelijke kosten direct te kunnen betalen.(voorraadvariabele)
– Flex-budget van Commissie sociaal minimum
Om imperfecties te dekken in gedrag en in beschikbaarheid van goederen en diensten
(stroomvariabele)
– Vermogensarmoedegrens
Minimaal benodigde vermogen om niet vermogensarm te zijn.
1. BufferBerekenaar van het Nibud . De buffer is primair bedoeld om bepaalde onvoorziene uitgaven te kunnen betalen en wordt
berekend aan de hand van het huishoudtype, netto huishoudensinkomen, eigenwoningbezit en autobezit. Voor een huishouden
rond het bestaansminimum is deze buffer tussen de 3000 en 8500 euro. De buffer voorziet niet in het (langdurig) opvangen van een
inkomenstekort.
2. Het minimale spaarbedrag waaruit een gezin dat onder het bestaansminimum leeft zou moeten putten om rond te komen. Naar dit
bedrag is gevraagd in het CBS-steekproefonderzoek “Wat is genoeg om van te leven” (CBS, 2024b). Van de mensen die stelden dat
zulke gezinnen om rond te komen hun spaargeld moeten aanspreken, gaf ruim 60 procent aan dat het spaargeld dan tussen 2000 en
5000 euro zou moeten liggen. Dit bedrag kan worden geïnterpreteerd als een ondergrens voor de te bepalen vermogensgrens (die
geldt als het gehele inkomen zou wegvallen). Ten eerste omdat respondenten het spaarbedrag geïnterpreteerd kunnen hebben als
aanvulling bovenop een laag inkomen, waardoor het spaarbedrag afhangt van het veronderstelde inkomenstekort. De
vermogensgrens veronderstelt dat er geen inkomen is, en dus relatief veel vermogen nodig is om armoede te voorkomen. Ten
tweede kunnen respondenten het spaarvermogen geïnterpreteerd hebben als dekking voor reserveringsuitgaven, dus als de
BufferBerekenaar van Nibud. Ten derde is bij de uitvraag geen onderscheid gemaakt naar huishoudenstype, waardoor de inschatting
van de respondenten buiten gezinnen minder nauwkeurig zou kunnen zijn.
3. De vermogensvrijlatingsgrens in de Participatiewet (2024: 7575 euro voor een alleenstaande ) geeft weer vanaf welk vermogen
er geen wettelijk recht is op inkomensondersteuning vanuit de gemeente, omdat het vermogen volgens de huidige wetgeving
toereikend zou moeten zijn. Verschillende vermogenssoorten zijn daarbij vrijgesteld, zoals smartengeld. Deze vermogensgrens is
beleidsafhankelijk.
4. Vermogensgrenzen voor toeslagen. In 2024 zijn deze grenzen zonder partner 36.952 euro (huurtoeslag) en 140.213 euro
(zorgtoeslag en kindgebonden budget). Met partner zijn deze bedragen resp. 73.904 euro en 177.301 euro. Ook daarbij zijn
verschillende vermogenssoorten vrijgesteld, zoals smartengeld. Omdat toeslagen zijn bedoeld als een tegemoetkoming in
bepaalde kosten (‘gebonden overdracht’) is niet het hoofddoel om armoede tegen te gaan. Daarnaast zijn ook deze
vermogensgrenzen beleidsafhankelijk.
2.1 Indicaties
Een aantal indicaties voor de te kiezen vermogensgrens:
14)
15)
2.2 Vaststelling hoogte
In de internationale literatuur is de vermogensgrens gebaseerd op het vermogen dat nodig is om bij wegvallen van inkomen gedurende d
periodes het bedrag g per periode te kunnen uitgeven (Brandolini et al., 2010, p.271; OESO, 2013; Balestra & Tonkin, 2018) . Deze
vermogensgrens houdt echter geen rekening met een buffer V voor bijvoorbeeld reserveringskosten voor terugkerende onverwachte
noodzakelijke uitgaven of vermogen waar een schuld tegenover staat. Daarom hanteren we voor de vermogensgrens een bedrag –
onafhankelijk van beleid en wetgeving – gebaseerd op
16)
0
vermogensgrens = d × g + V0,
1. Inkomensgrens voor inkomensarmoede. Dit is de standaardgrondslag in de academische literatuur . De duur geeft dan aan
hoeveel periodes iemand minimaal uit de armoede moet kunnen blijven door opsouperen van vermogen als het gehele inkomen
wegvalt. Aanname daarbij is dat het gehele inkomen wegvalt, wat zich minder goed verhoudt tot het ruimere sociale vangnet in
Nederland vergeleken met de VS.
2. Inkomenstekort op bijstandsniveau (in euro ). Hier valt niet het gehele inkomen weg, maar valt het besteedbaar inkomen terug
naar bijstandsniveau, zoals te verwachten bij wegvallen van andere inkomensbronnen . Het vermogen wordt aangewend om het
resterende inkomenstekort te compenseren en daarmee inkomens-armoede te voorkomen.
3. Mediane inkomenstekort van inkomensarmen (in euro). Het besteedbaar inkomen valt hierbij terug tot het mediane inkomen van
inkomensarmen. Ook hier vult het vermogen vervolgens aan tot de inkomens-armoedegrens. Dit mediane inkomenstekort is
gebruikt als onderbouwing van de duur van zes maanden in CBS (2019). Dikwijls zal het mediane inkomenstekort samenvallen met
het tekort voor een bijstandsontvanger, en is dit mediane inkomenstekort dus beleidsafhankelijk.
1. De gehanteerde duur in eerdere CBS-rapporten is zes maanden . Deze keuze was mede gebaseerd op het mediane
inkomenstekort, waarbij dus wel een inkomen wordt ontvangen, wat niet consistent zou zijn met de keuze voor de inkomensgrens
als grondslag.
2. De internationale literatuur hanteert drie maanden . De oorspronkelijke onderbouwing daarbij was dat de gemiddelde
werkloosheidsduur in de Verenigde Staten (VS) circa drie maanden bedraagt (Caner & Wolff 2004, Kuypers & Marx 2018). In
Nederland is – in vergelijking met de VS – de gemiddelde werkloosheidsduur langer en het sociaal vangnet ruimhartiger.
Vergeleken met de VS wordt in Nederland het vermogen dus doorgaans minder snel uitgegeven gedurende een
werkloosheidsperiode, maar duurt de werkloosheidsperiode wel langer.
3. Werkloosheidsduur. De internationale literatuur suggereert dat de gemiddelde werkloosheidsduur in Nederland een geschikte
maatstaf kan zijn voor de duur (punt 2). Het CBS publiceert cijfers over het aantal werklozen gegroepeerd naar de lopende
werkloosheidsduur . Hieruit volgt dat de mediane werkloosheidsduur van huidige werklozen is gedaald van ca. zes maanden in
2013 naar minder dan drie maanden in 2023. Mogelijke verklaringen zijn de toegenomen krapte op de arbeidsmarkt en de
stapsgewijze inkorting van de maximale WW-duur. Deze cijfers geven de lopende werkloosheidsduur vanaf instroom in
werkloosheid weer, en dus niet de uiteindelijke duur tussen in- en uitstroom waarop de internationale literatuur is gebaseerd.
1. Reservering voor terugkerende onverwachte noodzakelijke uitgaven , zoals kleding, inboedel, onderhoud huis en tuin (i.h.b. voor
woningen zonder vereniging van eigenaren), zelfzorgmiddelen, eigen risico van de zorgverzekering, en vrijetijdsbesteding. Deze
reserveringsuitgaven zijn ook onderdeel van de minimumvoorbeeldbegrotingen.
2. Voorzieningen die in specifieke situaties wenselijk zijn. Bijvoorbeeld een vrij beschikbare pensioenvoorziening (evt. als
ondernemingsvermogen) bij een onvolledige AOW of voor zelfstandigen met een zwaar beroep en zonder
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
3. Vrijgelaten vermogen overeenkomstig Art. 34 Participatiewet, zoals smartengeld.
4. Als tegenpost bij openstaande schulden. Schulden zijn niet in mindering gebracht op het vermogen.
waarbij d = duur, g = grondslag, en V = wenselijke voorziening voor toekomstige uitgaven. Hieronder gaan we nader in op deze drie
componenten.
0
2.2.1 Grondslag
De grondslag g geeft weer waarmee de vermogensgrens meebeweegt. Drie mogelijke keuzes:
17)
18)
19)
Bovenstaande mogelijke grondslagen zijn per definitie gekoppeld aan de inkomensarmoedegrens en dus de minimaal noodzakelijke
uitgaven. Er is gekozen voor grondslag 1, want deze is beleidsneutraal en standaard in de academische literatuur. We houden rekening
met prijsontwikkelingen gedurende een jaar door het gemiddelde nominale maandbedrag te gebruiken.
2.2.2 Duur
Gedurende een te bepalen minimale duur d wordt het vermogen aangewend om te voorzien in het levensonderhoud van het
huishouden. Bij de keuze van deze duur is enige willekeur onvermijdelijk. Niettemin is er wel een aantal indicaties:
20)
21)
23)
Er is een periode van zes maanden gekozen om een geheel weggevallen inkomen te kunnen compenseren.
2.2.3 Wenselijke vermogensbuffer voor toekomstige uitgaven
Bovenop de vermogensbuffer om het wegvallen van inkomen op te vangen wordt een extra vermogensbuffer V wenselijk geacht voor
de volgende doeleinden:
0
24)
Voor de omvang van de buffer V is enige willekeur onvermijdelijk. Er is gekozen voor V = d × g = 6 × g, zodat de vermogensgrens V gelijk
is aan de inkomensarmoedegrens per jaar:
0 0 0
V = d × g + V0 = (d + d0) × g = 12 maanden × (inkomens)armoedegrens per maand.
De argumenten daarbij zijn:
1. Uniformiteit in de vermogensgrens is wenselijk. Met V = d × g geldt dezelfde vermogensgrens V = (d + d ) × g voor alle
huishoudens van een bepaald huishoudenstype, net als de inkomensarmoedegrens. Er is bijvoorbeeld geen onderscheid naar
belangrijkste inkomensbron.
2. Omdat armoedecijfers op basis van jaarinkomens zijn, kan het eenvoudiger uitlegbaar zijn als de vermogensgrens gelijk is aan de
inkomensgrens voor een jaarinkomen (d + d = 12). Het armoedecijfer is daarbij niet heel gevoelig voor de keuze van d . Het
armoedepercentage van 2021 verschilt ongeveer een half procentpunt (tien procent meer armen) met d = 0 in plaats van d = 6
maanden. Mogelijk speelt bij deze ongevoeligheid een rol dat aangifte in box 3 kan ontbreken bij een vermogen onder het
heffingsvrije vermogen.
3. Belastingaangifte in box 3 kan ontbreken bij huishoudens met een vermogen onder het heffingsvrije vermogen. Daardoor kan het
geregistreerde vermogen van deze huishoudens lager uitvallen dan in werkelijkheid het geval. Huishoudens kunnen daardoor ten
onterechte als arm worden aangemerkt met (i) een (geregistreerd) vermogen tussen de vermogensgrens voor armoede en het
heffingsvrije vermogen en (ii) inkomen onder de (inkomens)armoedegrens. Een hogere vermogensgrens voor armoede verkleint
deze groep huishoudens die mogelijk ten onrechte als vermogensarm worden aangemerkt, wat het beeld van vermogensarmoede
dus nauwkeuriger maakt.
4. Het is wenselijk als V zodanig is gekozen dat een huishouden met vermogen exact gelijk aan de vermogensgrens V = d × g + V na
wegvallen van het gehele inkomen hoogstwaarschijnlijk over voldoende vermogen beschikt om d maanden te kunnen rondkomen:
a. Beleidsmatig heeft het de voorkeur om een niet-arm huishouden als arm aan te
merken (type 1-fout) boven – andersom – een arm huishouden als niet-arm
(type 2-fout). In laatstgenoemde geval kunnen schrijnende situaties ontstaan.
b. Mogelijk is op peildatum 1 januari extra vermogen aanwezig, omdat
arbeidsinkomen en toeslagen doorgaans in de tweede helft van de maand
worden uitbetaald, terwijl periodieke maandelijkse uitgaven veelal in de eerste
helft van de maand worden afgeschreven. Aan de andere kant zijn consumptieve
bestedingen gemiddeld hoger tijdens feestdagen , waardoor het vermogen
juist lager zou kunnen uitvallen op 1 januari.
c. In de standaard-armoedecijfers van CBS en SCP werd voorheen geen
vermogensgrens toegepast. Een gevolg was dat personen met weinig inkomen
maar veel vermogen toch als arm werden aangemerkt. Met een relatief hoge
vermogensgrens vallen in ieder geval voortaan buiten de armoedepopulatie de
vermogenden waarvan zeer aannemelijk is dat zij in werkelijkheid niet in
armoede leven.
https://bufferberekenaar.nibud.nl/introductie.
Art. 34 Participatiewet. Bij een meerpersoonshuishouden verdubbelt de vermogensvrijlatingsgrens (net als de vrijstellingsgrens in box
3). Dit schaalvoordeel is dus anders dan met de CBS-equivalentiefactor en de inkomensgrens per huishoudenstype.
Het veronderstelde rendement op het vermogen is daarbij gelijk aan de inflatie op de minimaal benodigde uitgaven, zodat rendement
en inflatie buiten beschouwing blijven.
Kanttekening is dat in de internationale literatuur de inkomens-armoedegrens doorgaans een vast percentage van het mediane
inkomen is. Zie bijlage A voor een overzicht.
In internationale literatuur worden inkomenstekorten (‘poverty gaps’) doorgaans weergegeven als een percentage van de
inkomensarmoedegrens (‘poverty line’).
Het betreft hier een ‘what if’-scenario waarbij het inkomen terugvalt naar bijstandsniveau én – indien van toepassing – de
beleidsafhankelijke vermogensvrijlatingsgrens buiten beschouwing wordt gelaten.
CBS (2019, par.4) en CBS (2023).
In bijlage A is een overzicht.
https://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=DUR_D.
https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85312NED/table?dl=6D204.
Deze posten zijn opgenomen in de Nibud-buffer voor verschillende doelgroepen. Voor een huishouden rond het bestaansminimum is
deze buffer tussen de 3000 en 8500 euro.
https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82608NED/table?dl=2BD6D.
Ter vergelijking: Begin 2022 was voor huishoudens met een laag inkomen in dat jaar het mediane vermogen 1200 euro, en het derde
kwartiel 10.000 euro, CBS (2023).
0 0 0
0 0
0 0
0 0
25)
2.2.4 Bedrag vermogensgrens
Voor 2023 geeft dit voor een alleenstaande een vermogensgrens van 12 maanden × 1512 euro per maand = 18.141 euro . Deze
vermogensgrens ligt ruim boven de Nibudbuffer, de grens die volgt uit het steekproefonderzoek, en de beleidsmatige vermogensgrens in
de Participatiewet. Bij deze grenzen is echter niet verondersteld dat het gehele inkomen wegvalt.
26)
14)
15)
16)
17)
18)
19)
20)
21)
22)
23)
24)
25)
26)
CBS Publicatie
 
Publicatiedatum 17-10-2024 00:00
Het betrekken van vermogen in de armoedebepaling
3. Bijlage A
Overzicht internationale literatuur inkomens-armoedegrens
Inkomensconcept
Inkomensarmoedegrens (als 1-dimensionaal)
Balestra, C., & R. Tonkin (2018) 50% mediaan n.v.t.
Balestra, C., & F. Oehler (2023) 60% mediaan n.v.t.
Brandolini, B., Magri, S., & Smeeding, T. M.(2010) 50% mediaan (nationaal en VS) gest.besteedbaar inkomen + annuïtiseerd vermogen obv
CBS (2019) lage-inkomensgrens n.v.t.
Eurostat (2023) 60% mediaan n.v.t.
Kuypers, S., & Marx, I.(2018) 60% mediaan gest.bruto inkomen + annuïtiseerd vermogen obv levensv
Kuypers, S., & Marx, I.(2021) 60% mediaan (per land) gest.bruto inkomen + annuïtiseerd vermogen obv levensv
OESO (2013) 50% mediaan (nationaal en VS) gest.besteedbaar inkomen + annuïtiseerd vermogen obv
SCP (2018) nvmt-criterium (obv bestedingsbudget) gest.besteedbaar inkomen + annuïtiseerd vermogen obv
CBS Publicatie
Publicatiedatum 17-10-2024 00:00
Het betrekken van vermogen in de armoedebepaling
4. Literatuur
Azpitarte, F., & Yalonetzky, G.(2023). The measurement of asset and wealth poverty, In: Research Handbook on Measuring Poverty and
Deprivation, Chapter 38, p.410-419.
Balestra, C., & F. Oehler (2023). Measuring the joint distribution of household income, consumption and wealth at the micro level. OECD
Papers on Well-being and Inequalities, No. 1, Box 4.1.
Balestra, C., & R. Tonkin (2018). Inequalities in household wealth across OECD countries: Evidence from the OECD Wealth Distribution
Database. OECD Statistics Working Papers.
Brandolini, A., Magri, S., & Smeeding, T. M.(2010). Journal of Policy Analysis and Management 29(2). Asset‐based measurement of poverty,
p.267-284.
Caner, A., & Wolff, E. N.(2004). Asset poverty in the United States, 1984–99: Evidence from the panel study of income dynamics. Review of
income and Wealth, 50(4), 493-518.
CBS (2019). Hoe is de financiële welvaart verdeeld? Centraal Bureau van de Statistiek.
CBS (2023). Armoede en sociale uitsluiting 2023. Centraal Bureau van de Statistiek.
CBS (2024a). Materiële Welvaart in Nederland 2024. Centraal Bureau van de Statistiek.
CBS (2024b). Wat is genoeg om van te leven? CBS-longread.
CBS, Nibud en SCP (2024). Een nieuwe methode om armoede in Nederland te meten. Verantwoording en toelichting.
Commissie Sociaal Minimum (2023a). Een zeker bestaan. Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Rapport I.
Commissie Sociaal Minimum (2023b). Een zeker bestaan. Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Rapport II.
Eurostat (2023). Interaction of household income, consumption and wealth – statistics on main results.
Geraadpleegd 18 september 2024.
Cijfers: Statistics | Eurostat (europa.eu)
Definitie: https://ec.europa.eu/eurostat/cache/metadata/en/icw_esms.htm, par 3.4.
Kuypers, S., & Marx, I.(2018). Estimation of joint income-wealth poverty: A sensitivity analysis, Social Indicators Research, 136, p.117-137.
slides: https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=19264&langId=enhttps://ec.europa.eu/social/BlobServlet?
docId=19264&langId=en
Kuypers, S., & Marx, I.(2021). Poverty in the EU using augmented measures of financial resources: The role of assets and debt, Journal of
European Social Policy, 31(5), p.496-516.
OESO (2013). OECD Framework for statistics on the distribution of household income, Consumption and Wealth. OESO, p.179-183.
SCP (2018). De SCP-methode voor het meten van armoede. Sociaal en Cultureel Planbureau, p.17-20.