Info bulletin Thuisbezorgen van gekoelde en diepgevroren producten

Info-bulletin
Oktober 2025
Thuisbezorgen van gekoelde en
diepgevroren producten.
Team Voedselveiligheid 20251031
teamvoedselveiligheid@voedselbankennederland.nl Pagina 1 van 2
In toenemende mate worden voedselpakketten bij de klanten thuisbezorgd in plaats dat
deze worden afgehaald bij de voedselbank. Kritisch hierbij zijn de gekoelde en
diepgevroren producten.
Hierbij volgt een korte procesbeschrijving hoe men dit op een verantwoorde wijze kan
doen.
Niet gekoelde producten worden bij voorkeur verpakt in plastic of papieren tassen en
per klant in een krat gedaan voor transport. De tassen worden voor de deur door de
klant uit de krat gehaald.
Gekoelde en diepgevroren producten worden vanuit een koel- of vriesomgeving op
minimaal 7⁰ resp. -18⁰ C in koelboxen verpakt en direct daarna vervoerd naar de
klanten.
Indien mogelijk de koelproducten vooraf dieper koelen naar ca 4⁰ en in de koelbox
koelelementen bijsluiten. Dit geeft vooral ’s zomers een grotere veiligheidsmarge.
 Bij transport gelden een aantal factoren die van invloed zijn op de temperatuurstijging
onderweg:
 Openen van de koelbox: hoe vaker geopend hoe meer warme lucht instroomt.
 Omgevingstemperatuur: bij transport in een niet-gekoelde auto kan ’s zomers de
temperatuur rondom de koelbox hard oplopen!
 Volume in de koelbox: hoe meer volume hoe trager de temperatuurstijging
 Tijd: hoe langer het transport duurt hoe meer de temperatuur stijgt
 Isolatiewaarde van de koelbox
Centrale vraag is nu: Worden de gekoelde en diepgevroren producten bij het laatste
adres nog op de juiste temperatuur afgeleverd en hoe controleer je dat.
1. Beperk de tijd dat een bezorger onderweg is: een rit korter dan een uur geeft minder
risico dan een rit van twee uur. Zorg dat klanten uit één wijk ook in één auto zitten.
2. Laat een geladen auto niet in de zon staan en leg een isolerende laag over de
koelboxen.
3. Vul de koelbox maximaal.
Het belangrijkste is dat er kan worden aangetoond dat bij het thuisbezorgen de
temperatuur van de producten is geborgd ongeacht de hoogte van de
buitentemperatuur.
Team Voedselveiligheid 20251031
teamvoedselveiligheid@voedselbankennederland.nl Pagina 2 van 2
Dit betekent dat niet bij alle ritten de temperatuur strikt gevolgd moet worden
maar wel dat er een database moet worden opgebouwd van metingen bij
verschillende buitentemperaturen.
Het advies is om bij buitentemperaturen boven de 25⁰ altijd te meten.
Hoe meet je?
Indien er bij elke klant iets uit de koelbox wordt gehaald stroomt steeds warme lucht de
koelbox in. Dit beïnvloedt de temperatuur van de lucht in de koelbox en met enige
vertraging ook de temperatuur van het product.
Het meest kritisch is dus de aflevering op het laatste adres. Hier moet de temperatuur
worden gemeten en als deze binnen de norm is dan geldt dat voor alle voorgaande
adressen. Meten kan het best met een thermometer die de hele rit in de koelbox ligt of
met een insteekthermometer.
Een andere mogelijkheid is om de voeler van een logger of een thermometer in een
goed afgesloten flesje glycerine of water te hangen. Het flesje met de glycerine of water
en logger moeten vóór transport op dezelfde temperatuur zijn als de producten.
Als de rijtijd tussen de laatste klant en de voedselbank erg kort is kan je ook een extra
product in de koelbox bij pakken en hiervan de temperatuur bij terugkomst in de
voedselbank meten. De bezorger heeft dan de last niet van het meten.
De gegevens van het transport (datum, buitentemperatuur, tijd van vertrek en
terugkomst en producttemperatuur) moeten worden geregistreerd in een database. Als
er meerdere ritten worden gemaakt hoeft alleen de langste rit te worden gemeten. Je
mag er dan van uitgaan dat de kortere ritten geen slechter resultaat hebben.
Als na een aantal weken, zeker bij hoge buitentemperaturen, kan worden vastgesteld
dat de temperatuur binnen de normen blijft kan worden overgegaan tot
steekproefsgewijze meting. De gegevens uit de database zijn van belang om tegenover
het inspectiebureau of de NVWA aan te tonen dat het transport op verantwoorde wijze
gebeurt.
Als de temperatuur niet binnen de norm blijft moeten aanvullende maatregelen worden
genomen: betere isolatie, kortere ritten, extra koelelementen etc.